Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD8510

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-12-2002
Datum publicatie
06-12-2002
Zaaknummer
36773
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD8510
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FED 2002/719
BNB 2003/285 met annotatie van S. VAN WEEGHEL
Belastingadvies 2003/1.12
V-N 2003/2.13 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.773

6 december 2002

EC

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 november 2000, nr. BK-97/02134, betreffende na te melden aan X B.V. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de dividendbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de dividendbelasting opgelegd ten bedrage van f 142.500 aan enkelvoudige belasting, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur en de naheffingsaanslag vernietigd.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 18 december 2001 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Tot 8 juli 1994 was B, die sinds 1988 in België woont, eigenaar van alle certificaten van aandelen in belanghebbende alsmede van alle certificaten van aandelen van de in Nederland gevestigde en vennootschapsbelastingplichtige Antilliaanse vennootschap C N.V.. Belanghebbende en C N.V. bezaten tot voormelde datum elk 50 percent van de aandelen in D B.V.

3.1.2. Op 8 juli 1994 zijn de aandelen in belanghebbende gedecertificeerd en heeft B alle aandelen in belanghebbende verkocht aan C N.V. voor f 6.333.000, welk bedrag als volgt is voldaan:

- f 595.378 door overname door C N.V. van de schuld van B aan belanghebbende,

- f 2.000.000 door betaling in contanten, uiterlijk te voldoen op 31 december 1994,

- f 3.737.613 door omzetting van een gedeelte van de koopsom in een leenschuld.

3.1.3. C N.V. heeft, na de aankoop van de aandelen in belanghebbende, in 1994 een bedrag van f 950.000 en in 1995 een bedrag van f 460.000 als dividenden van belanghebbende ontvangen. In 1994 heeft C N.V. f 1.220.606 en in 1995 f 765.000 op de koopsom van de aandelen afgelost.

3.2. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat het door hem als een internationale holdingconstructie aangeduide samenstel van rechtshandelingen, bestaande uit: de verkoop door B van de aandelen in belanghebbende aan C N.V., de onderwerpelijke dividenduitkering en de aflossing van de schuld aan B door C N.V., plaatsgevonden heeft met als enige, althans doorslaggevende, beweegreden de verijdeling van de heffing van dividendbelasting en dat met dat samenstel van rechtshandelingen gehandeld is in strijd met doel en strekking van de Wet op de dividendbelasting (hierna: de Wet). Doel en strekking van de Wet brengen volgens de Inspecteur mee dat de hiervoor bedoelde met het oogmerk belastingheffing te verijdelen geschapen rechtstoestand voor de heffing van de dividendbelasting moet worden beoordeeld alsof de verkoop van de aandelen in belanghebbende niet heeft plaatsgevonden en die aandelen nog steeds in handen zijn van B. Op deze grond heeft hij het in 1994 betaalde bedrag van f 950.000 als dividend aangemerkt en ter zake daarvan aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd, waarbij hij de belasting heeft berekend naar het tarief van 15%, als genoemd in artikel 10, paragraaf 2, van de Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de Regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belasting naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, gesloten te Brussel op 19 oktober 1970 (Tractatenblad 1970, no. 192) (hierna: het Verdrag).

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat, indien in casu sprake is van verijdeling van belastingheffing zoals door de Inspecteur gesteld, die verijdeling niet gerealiseerd is door de dividenduitkering van f 950.000, maar door de vervreemding door B van zijn aandelen in belanghebbende aan C N.V. en dat de belastingheffing bij die vervreemding en de daarbij ontvangen koopsom dient aan te grijpen. Met betrekking tot de dividenduitkering die ingevolge artikel 4, lid 2, van de Wet (tekst 1994) zonder inhouding van dividendbelasting is geschied, is naar 's Hofs oordeel geen sprake van miskenning van doel en strekking van de wet.

3.4. Tegen dit oordeel betoogt het middel dat de Inspecteur met het bijzondere rechtsmiddel fraus legis wel degelijk de verkoop van de aandelen mocht wegdenken en dat de Inspecteur de uitgekeerde dividenden mocht belasten als waren die aan B uitgekeerd. Het middel faalt. Ook al zou zich hier een geval voordoen waarin een samenstel van handelingen heeft plaatsgevonden met als enige, althans doorslaggevende, beweegreden de verijdeling van de heffing van dividendbelasting, waardoor doel en strekking van de Wet zouden worden miskend indien de uitgekeerde dividenden, voor zover deze kunnen worden geput uit de ten tijde van de overdracht van de aandelen in de vennootschap aanwezige reserves en de belastingplichtige over deze reserves kon beschikken, ingevolge artikel 4, lid 2, van de Wet (tekst 1994) onbelast zouden blijven, dan kan niettemin het beroep van de Inspecteur op fraus legis niet slagen, nu in dat geval het Verdrag aan het belasten van de dividenden in de weg staat.

Immers, wel laat artikel 10 van het Verdrag de heffing van dividendbelasting over dividenden die betaald worden door een vennootschap die inwoner van Nederland is aan een inwoner van België - zij het in beperkte mate - toe. Uit niets blijkt echter van een gemeenschappelijke bedoeling van de verdragsluitende Staten om, in omstandigheden als die van het onderhavige geval - waarin een inwoner van België de aandelen van een vennootschap die inwoner van Nederland is, heeft vervreemd aan een andere inwoner van Nederland en de daarbij gerealiseerde vermogenswinst ter heffing is toegewezen aan België - de op de verkochte aandelen uitgekeerde dividenden aan te merken als dividenden die betaald worden aan de in België wonende verkoper van de aandelen. Voorzover de Inspecteur de aan C N.V. uitbetaalde dividenden verlangt te belasten alsof die aan B waren uitgekeerd, laat artikel 10 van het Verdrag zulks derhalve niet toe. Enige andere bepaling die aan Nederland de belastingheffing over de dividenden toewijst, is in het Verdrag evenmin te vinden.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 36774 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 644, derhalve € 322, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 december 2002.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staats-secretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 327.