Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD8190

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
02-04-2002
Zaaknummer
R01/030HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD8190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 187
JWB 2002/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 maart 2002

Eerste Kamer

Nr. R01/030HR

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende op Aruba,

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J.A. Meijer,

t e g e n

REAL STATE NEW HOUSE N.V., gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 4 juni 1997 ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: New House - zich gewend tot dat Gerecht en gevorderd eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - te veroordelen tot betaling van een bedrag van Hfl. 75.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten, alsmede vanwaardeverklaring van een door haar op 20 mei 1997 gelegd conservatoire beslag.

[Eiser] heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden en zijnerzijds het Gerecht in Eerste Aanleg verzocht New House te veroordelen tot betaling van de door haar wanprestatie, althans onrechtmatige daad geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

New House heeft in reconventie de vordering bestreden.

Na tussenvonnissen van 26 oktober 1998, 17 mei 1999 en 1 november 1999 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg bij eindvonnis van 7 februari 2000 [eiser] veroordeeld om aan New House NAfl. 75.000,-- met de wettelijke rente vanaf 4 juni 1997 te betalen en het meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft het Hof het gevorderde afgewezen.

Tegen dit eindvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.

Bij vonnis van 28 november 2000 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bevestigd.

Het vonnis van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

New House heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis met terugverwijzing van de zaak naar het Hof.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

[Eiser] heeft het hem in eigendom toebehorende hotel [A], gelegen op Curaçao, verkocht aan de in Nederland gevestigde rechtspersoon [KVB] B.V. [hierna: KVB]. Overeengekomen was dat de transportakte zou worden verleden vóór of op 30 december 1996. Het op 26 december 1996 opgemaakte koopcontract bevat als slotbepaling het volgende beding:

"11. Deze overeenkomst is tot stand gekomen door bemiddeling van "REAL ESTATE "NEW HOUSE" N.V., voor welke bemiddeling de verkoper een makelaarscourtage verschuldigd is van HFL 75.000,-- (zegge: VIJFENZEVENTIGDUIZEND 00/00), betaalbaar op datum transport bij de notaris."

Het transport heeft niet plaatsgevonden.

3.2 New House heeft betaling van NAfl. 75.000,-- gevorderd wegens overeengekomen makelaarscourtage. New House heeft daartoe gesteld dat de levering van het hotel niet heeft plaatsgevonden door aan [eiser] te wijten omstandigheden. [Eiser] heeft verweer gevoerd en zijnerzijds van New House schadevergoeding gevorderd wegens wanprestatie dan wel onrechtmatige daad.

In het tussenvonnis van 17 mei 1999 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg overwogen dat partijen "twisten over de vraag of het feit dat de levering van het goed aan KVB nimmer heeft plaatsgevonden al dan niet te wijten is aan aan [eiser] te wijten omstandigheden" (rov. 3.2). Het Gerecht overwoog vervolgens in rov. 3.3 dat voorzover mocht komen vast te staan dat het verkochte onroerend goed vanwege aan [eiser] te wijten omstandigheden niet aan KVB geleverd is, de vordering van New House toewijsbaar is. In het eindvonnis van 7 februari 2000 overweegt het Gerecht dat KVB [eiser] in gebreke heeft gesteld en dat de eerste rechter in een tussen [eiser] en KVB aanhangige procedure [eiser] tot betaling van de contractueel overeengekomen boete heeft veroordeeld en dat het ervoor moet worden gehouden dat [eiser] in ieder geval op 20 januari 1997 jegens KVB in gebreke was, zodat hij ook jegens New House schadeplichtig moet worden bevonden (rov. 2.3). Het Gerecht veroordeelt [eiser] vervolgens tot betaling van NAfl. 75.000,-- aan New House.

3.3 Het Hof heeft het eindvonnis bekrachtigd. Het heeft daartoe - samengevat weergegeven - als volgt overwogen.

- Kennelijk zijn partijen het erover eens dat de bepaling in de koopakte KVB - [eiser] betreffende de bij het transport verschuldigde courtage de tussen hen gemaakte afspraken weergeeft, hoewel geen makelaarscontract is overgelegd (rov. 4.5).

- Blijkens de bewoordingen van die bepaling is beoogd een termijn te bepalen voor de betaling door [eiser] van de courtage, en derhalve te bepalen vanaf wanneer de vordering opeisbaar was. Hiermee staat de verschuldigdheid vast. Gesteld noch gebleken is immers dat partijen op het oog hebben gehad de datum van transport als voorwaarde voor die verschuldigdheid aan te merken (rov. 4.6).

- Nu het transport is uitgebleven, kan geen datum worden aangewezen waarop de vordering van New House opeisbaar is geworden. Dit heeft echter niet tot gevolg dat de verschuldigdheid is komen te vervallen, noch dat relevant is aan wie het is te wijten dat het transport geen doorgang heeft gevonden. Het tijdstip van opeisbaarheid moet worden vastgesteld overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid (rov. 4.7).

- Aangezien reeds op 30 december 1996 het transport had moeten plaatsvinden, is de vordering nu, vier jaar later, opeisbaar (rov. 4.8).

3.4 Middel 2 betoogt dat het Hof de opeisbaarheid en de verschuldigdheid van de courtage door elkaar heeft gehaald. Het voert aan dat voor de vraag of de courtage al dan niet verschuldigd is door [eiser] het van belang is te onderzoeken in hoeverre het niet-doorgaan van het transport aan [eiser] dan wel aan New House te verwijten valt. Het betoogt voorts dat in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk is dat het Hof de essentiële stelling van [eiser] dat de courtage niet verschuldigd was onbesproken heeft gelaten.

3.5 Het middel slaagt. New House heeft haar vorderingsrecht gebaseerd op de stelling dat het feit dat het transport van het hotel aan KVB niet is doorgegaan aan de schuld van [eiser] is te wijten. [Eiser] heeft zijnerzijds de verschuldigdheid van de courtage bestreden. Het Hof is dan ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door art. 11 van de tussen [eiser] en KVB gesloten overeenkomst aldus uit te leggen dat dit aan New House een onvoorwaardelijk recht verschafte op courtage betaalbaar op datum transport bij de notaris.

3.6 Na het voorgaande behoeven de overige middelen geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en van Aruba van 28 november 2000;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar dat Hof;

veroordeelt New House in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 930,25 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en D.H. Beukenhorst, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 29 maart 2002.