Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD8185

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
02-04-2002
Zaaknummer
C00/214HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD8185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 197
JWB 2002/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 maart 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/214HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiser 1],

2. [Eiseres 2],

beiden wonende te [woonplaats],

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. W.I. Wisman,

t e g e n

[Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploit van 20 oktober 1998 verweerster in cassatie - verder te noemen: [verweerster] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Tilburg en - samengevat - gevorderd [verweerster] te veroordelen tot betaling van:

a. een bedrag van ƒ 504,-- terzake van de nog aan [eiser] c.s. toekomende, tussen partijen overeengekomen, huurverhoging over de periode van 6 mei 1996 tot 6 mei 1998;

b. een bedrag van ƒ 44,92 terzake van de huurverhoging over de maand mei 1998;

c. een bedrag van 5 x ƒ 2.086,92 of wel ƒ 10.434,60 terzake de huurpenningen, vervallen sinds 1 juni 1998, de datum vanaf welke [verweerster] nalatig is gebleven in de betaling van de overeengekomen huurpenningen, tot 1 november 1998;

d. een bedrag van ƒ 2.086,92 per maand, vanaf 6 november 1998 tot 6 mei 1999 althans tot die datum waarop [eiser] c.s. erin zullen zijn geslaagd om het gehuurde opnieuw te verhuren tegen gelijke voorwaarden aan derden;

e. een bedrag van ƒ 3.000,-- terzake van de tussen partijen overeengekomen boete;

f. een bedrag van ƒ 2.465,40 terzake van de verschuldigde wettelijke rente over de achterstallige huurpenningen vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag der dagvaarding;

g. de wettelijke rente over de bedragen genoemd onder a tot en met f vanaf de datum van dagvaarding.

[Verweerster] heeft de vorderingen bestreden en harerzijds gevorderd [eiser] c.s. te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 2.000,--.

[Eiser] c.s. hebben de vordering in reconventie bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 23 september 1999 de vorderingen in conventie toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerster] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Breda.

Bij vonnis van 18 april 2000 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis, voor zover in conventie gewezen, vernietigd en opnieuw rechtdoende, [verweerster] veroordeeld aan [eiser] c.s. te betalen de somma van ƒ 497,23, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 oktober 1999 tot aan de dag der algehele betaling.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de niet verschenen [verweerster] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, D.H. Beukenhorst en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 29 maart 2002.