Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD8180

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-03-2002
Datum publicatie
15-03-2002
Zaaknummer
C00/179HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD8180
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Coördinatiewet Sociale Verzekering 16b
Wet op de loonbelasting 1964 32b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 174
NJ 2002, 243
V-N 2002/17.26 met annotatie van Redactie
JWB 2002/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 maart 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/179HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

HATRAL LEIDSCHENDAM B.V., gevestigd te Leidschendam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,

t e g e n

1. DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën), gevestigd te 's-Gravenhage,

2. DE BEDRIJFSVERENIGING VOOR DE BOUWNIJVERHEID, gevestigd te Amsterdam,

3. DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ ONDERNEMINGEN 'S-GRAVENHAGE, gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDERS in cassatie,

advocaat: mr. H.D.O. Blauw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie - verder te noemen: de Staat, de Bedrijfsvereniging en de Ontvanger, dan wel de Staat c.s. - hebben bij exploit van 23 november 1992 eiseres tot cassatie – verder te noemen: Hatral - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Hatral te veroordelen om aan de Staat c.s. te betalen ƒ 157.302,84, vermeerderd met de door hen verschuldigde rente, te weten de compensatoire rente als omschreven onder 8 in het lichaam van de dagvaarding tot 17 mei 1991, begroot op ƒ 27.027,01, en de wettelijke rente vanaf 17 mei 1991.

Na een in cassatie niet van belang zijnde vrijwaringsincident heeft Hatral de vordering gemotiveerd bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 15 februari 1995 Hatral veroordeeld om aan de Staat te betalen een bedrag van ƒ 157.302,84, te vermeerderen met (a) de compensatoire interessen naar 6,78% over het bedrag dat tussen september 1987 en 25 oktober 1988 door haar aan [A] is voldaan, en (b) de wettelijke rente over het in hoofdsom genoemde bedrag ingaande 17 mei 1991 en lopende tot de dag der algehele voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft de Rechtbank afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft Hatral hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Staat c.s. hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 20 januari 2000 heeft het Hof in het principaal en in het incidenteel appel het bestreden vonnis vernietigd en Hatral veroordeeld om aan de Staat te betalen de som van ƒ 157.302,84, te vermeerderen met compensatoire interessen ten bedrage van ƒ 14.736,--, alsmede de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 17 mei 1991, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft Hatral beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat c.s. mede door mr. V.A.J. Gassler, advocaat bij de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Hatral is in verband met door haar voor derden verrichte transport- en sloopwerkzaamheden sinds medio 1982 houdster van een geblokkeerde rekening (G-rekening). Hatral heeft op 16 februari 1987 met de Staat c.q. de Ontvanger, de Bedrijfsvereniging en de NMB een G-rekeningovereenkomst gesloten.

(ii) Medio 1986 heeft Hatral met [A] v.o.f. een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een gedeelte van haar bedrijfsgebouwen en bedrijfsterrein te Leidschendam. Deze laatste betaalde de huurtermijnen aanvankelijk op een gewone, niet-geblokkeerde bankrekening van Hatral.

(iii) [A] v.o.f. is later voortgezet als [B] B.V. (hierna tezamen of ook ieder voor zich aan te duiden als: [A]). [A] heeft voor Hatral wel eens werkzaamheden verricht als hoofdaannemer. Het daarvoor verschuldigde bedrag werd met de verschuldigde huur verrekend, in die zin dat het surplus door [A] werd voldaan op de G-rekening van Hatral.

(iv) Vanaf 1987 bleef [A] de huurtermijnen op de G-rekening van Hatral storten zonder dat Hatral om deze wijze van betalen had gevraagd. Hatral heeft daartegen geprotesteerd en deze wijze van betalen pas geaccepteerd nadat de NMB haar bij brief van 4 juli 1988 had meegedeeld dat betaling via de G-rekening geoorloofd was.

(v) Behalve de huurtermijnen werden door [A] op deze wijze ook betalingen aan Hatral verricht voor elektriciteit- en waterverbruik en voor de levering van een laadkraan. De betalingen waren telkens afkomstig van de G-rekening van [A]. In totaal belopen deze betalingen in de jaren 1987 t/m 1989 een bedrag van ƒ 157.302,84.

(vi) [A] v.o.f. is op 19 oktober 1988 in staat van faillissement verklaard; [B] B.V. op 8 augustus 1990. De Ontvanger en de Bedrijfsvereniging hebben vorderingen ingediend van ƒ 3.313.564,-- resp. ƒ 1.274.476,36 bij de curator in het faillissement van de v.o.f. en van ƒ 1.485.135,25 resp. ƒ 1.326.141,49 bij de curator in het faillissement van [B] B.V.

3.2 De Staat c.s. hebben van Hatral betaling gevorderd van ƒ 157.302,84, te vermeerderen met compensatoire rente en met wettelijke vertragingsrente. Zij hebben aan de vordering het volgende ten grondslag gelegd. [A] heeft jegens de Staat (c.q. de Ontvanger) en de Bedrijfsvereniging wanprestatie gepleegd door gelden over te maken van haar G-rekening naar die van Hatral zonder toestemming van de Staat en de Bedrijfsvereniging. Bovendien heeft [A] onrechtmatig gehandeld door opzettelijk gelden te onttrekken aan het pandrecht van de Staat en de Bedrijfsvereniging. Door de betalingen van de G-rekening van [A] te accepteren, heeft Hatral in strijd gehandeld met de verplichtingen die voor haar jegens de Staat en de Bedrijfsvereniging voortvloeiden uit haar eigen G-rekeningovereenkomst en heeft zij bovendien onrechtmatig gehandeld jegens de Staat en de Bedrijfsvereniging, daar Hatral op deze wijze bewust profiteerde van de wanprestatie of onrechtmatige daad van [A]. Het moet voor Hatral duidelijk zijn geweest dat [A] de bedragen alleen maar kon overmaken door wanprestatie of een onrechtmatige daad te plegen. Alle G-rekeningovereenkomsten worden op dezelfde voorwaarden gesloten. De betalingen die [A] deed hielden geen verband met onderaanneming van werk noch met betaling van loonbelasting en premies. Het saldo van de rekeningen van [A] is niet toereikend om de vorderingen van de Ontvanger en de Bedrijfsvereniging te voldoen.

De Rechtbank heeft de vordering toegewezen met uitzondering van een gedeelte van de gevorderde compensatoire rente. Het Hof heeft de grieven in het principaal appel (van Hatral) ongegrond geoordeeld. Het heeft de grieven in het incidenteel appel grotendeels gegrond geoordeeld. Het heeft het bestreden vonnis vernietigd en de vordering van de Staat c.s. toegewezen.

3.3 De eerste grief van Hatral is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat Hatral als houdster van een G-rekening had kunnen en moeten beseffen dat de gelden op een G-rekening aan de Staat zijn verpand en dat de Staat toestemming dient te verlenen voor betalingen vanaf die rekening welke geen betrekking hebben op voldoening van belasting- en premieschulden. Hatral heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van de algemene machtiging in art. 5 onder b van de (model)overeenkomst het aan [A] vrijstond bedragen van haar G-rekening naar de G-rekening van Hatral over te maken, en dat het Hatral dan ook vrijstond die overmakingen te accepteren. Het Hof heeft dit standpunt verworpen. Het heeft overwogen samengevat weergegeven:

- dat het stelsel van G-rekeningen, zoals dat ook vóór 1 oktober 1991 gold, onmiskenbaar uitsluitend was bedoeld voor de situatie waarin een hoofd- of onderaannemer werk had uitbesteed aan een onderaannemer (rov. 2.2);

- dat Hatral, die zelf sedert medio 1982 over een G-rekening beschikte, bekend mocht worden verondersteld met het doel en de strekking van het stelsel, en met daaruit voortvloeiende beperkingen die aan het gebruik van de rekening zijn gesteld door de nadere regelgeving die met het stelsel van G-rekeningen samenhangt (rov. 2.3);

- dat Hatral van een en ander op de hoogte was, blijkt ook uit het feit dat zij aanvankelijk had geprotesteerd tegen de betalingen op haar G-rekening en dat zij deze wijze van betalen pas had geaccepteerd nadat de NMB haar bij brief van 4 juli 1988 had verklaard dat die wijze van betalen geoorloofd was (rov. 2.4);

- dat aan een en ander niet afdoet dat de belastingdienst met ingang van 1 oktober 1991 enkele bepalingen met betrekking tot het stelsel van G-rekeningen heeft gewijzigd en aangescherpt teneinde misbruik te voorkomen (rov. 2.5).

3.4.1 De onderdelen 1a en 1c betogen dat het oordeel van het Hof omtrent de onmiskenbaarheid van de bedoeling van "het stelsel van G-rekeningen", zoals dat stelsel in de periode 1987 t/m 1989 gold, onjuist is, althans ondeugdelijk is gemotiveerd, alsmede dat het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot art. 5b van de in art. 1 sub b van het G-rekeningbesluit bedoelde overeenkomst.

3.4.2 De Wet ketenaansprakelijkheid (wet van 4 juni 1981, Stb. 370), in werking getreden op 1 juli 1982 bewerkstelligde dat de aannemer hoofdelijk aansprakelijk was voor de sociale verzekeringspremies en de loon- en omzetbelasting die onderaannemers in de gehele keten van opvolgende aannemingsovereenkomsten verschuldigd waren in verband met het aangenomen werk. Deze aansprakelijkheid was neergelegd in art. 16b Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (oud) en art. 32b Wet op de loonbelasting 1964 (oud). Het werd vervolgens mogelijk gemaakt een gedeelte van de aanneemsom op een geblokkeerde rekening te storten. Ter uitvoering van de regeling is het G-rekeningbesluit 1982 (besluit van de staatssecretaris van SZW van 26 mei 1982, Stcrt. 109) uitgevaardigd, waarin onder meer is bepaald dat het saldo op de G-rekening dient te worden verpand aan de Staat en de Bedrijfsvereniging gezamenlijk. In het G-rekeningenbesluit 1982 is een eenvormig model voor het sluiten van een G-rekeningovereenkomst opgenomen. Art. 5 van deze modelovereenkomst luidde:

"5a. Betalingen ten laste van de g-rekening zullen slechts geschieden na daartoe ontvangen schriftelijke machtiging van de ontvanger en de bedrijfsvereniging.

b. De ontvanger en de bedrijfsvereniging verlenen hierbij volmacht aan de rekeninghouder ten laste van de g-rekening bedragen over te maken naar de ontvanger en de bedrijfsvereniging alsmede naar andere g-rekeningen."

De strekking van deze regelingen brengt mee dat het in de onderhavige periode 1987 – 1989 geldende stelsel van G-rekeningen, zoals mede tot uitdrukking gebracht in de preambule van de modelovereenkomst, weergegeven in de conclusie van de Advocaat–Generaal Langemeijer onder 2.5, slechts aan een (hoofd)aannemer toeliet om gelden van zijn G-rekening op de G-rekening van de door hem ingeschakelde onderaannemer over te maken, voor zover het betalingen als bedoeld in art. 16b lid 7 CSV en art. 32b lid 6 LB 1964 betrof. Art. 5b van de modelovereenkomst dient dan ook in die zin te worden verstaan. Dat – ter bestrijding van misbruik - in een latere versie van de modelovereenkomst art. 5b nader is gepreciseerd, doet aan een en ander niet af. De klachten van de onderdelen 1a en 1c stuiten op het voorgaande af.

3.5 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Hatral in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat c.s. begroot op € 2.099,73 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 15 maart 2002.