Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD7358

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-03-2002
Datum publicatie
01-03-2002
Zaaknummer
C01/098HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD7358
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 142
NJ 2003, 211 met annotatie van G.J.J. Heerma van Voss
RvdW 2002, 52
Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2010, p. 297 met annotatie van N. Gundt
JWB 2002/91
JAR 2002/67 met annotatie van Prof. mr. E. Verhulp
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

1 maart 2002

Eerste Kamer

Nr. C01/098HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

PTT POST B.V., gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 24 april 1998 verweerster in cassatie - verder te noemen: PTT - gedagvaard voor de Kantonrechter te Terneuzen en, na wijziging van eis, gevorderd:

a. PTT te veroordelen om aan [eiser] te betalen het aan hem uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst toekomende brutoloon, vermeerderd met alle volgens de CAO bijbehorende emolumenten en vakantiegeld, over de periode van 1 januari 1994 tot 30 oktober 1997 alsmede de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;

b. PTT te veroordelen om aan [eiser] te betalen in verband met geleden schade door het tekortschieten bij het voldoen aan de reïntegratieverplichting, een bedrag van ƒ 55.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der voldoening;

c. te verklaren voor recht dat PTT aansprakelijk is jegens [eiser] voor de schade die het gevolg is van de in de periode van 16 november 1992 tot 3 maart 1993 toegenomen medische beperkingen, de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

PTT heeft de vorderingen bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 6 januari 1999 de vorderingen van [eiser] voor zover die zijn gebaseerd op de andere grondslagen dan onrechtmatige daad afgewezen, zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen voor zover die zijn gebaseerd op onrechtmatige daad en de zaak in de stand waarin deze zich bevond verwezen naar de Rechtbank te Middelburg.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Middelburg.

Bij vonnis van 13 december 2000 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

PTT heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser], geboren op [geboortedatum] 1957, is op 1 augustus 1977 in dienst getreden bij PTT in de functie van postbode.

(ii) In december 1991 is [eiser] volledig arbeidsongeschikt geworden ten gevolge van rugklachten. Vanaf 3 januari 1994 ontving [eiser] een WAO-uitkering naar een ongeschiktheid van 25 - 35%. Daarnaast ontving hij een WW-uitkering.

(iii) PTT heeft op 22 december 1993 een ontslagvergunning voor [eiser] aangevraagd. De RDA heeft bij beslissing van 24 maart 1994 de verzochte vergunning geweigerd op de grond dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat er binnen de organisatie van PTT geen herplaatsingsmogelijkheden waren.

(iv) Het landelijk werkende interne arbeidsbureau van PTT is er niet in geslaagd voor [eiser] een passende functie te vinden.

(v) In april 1995 heeft PTT andermaal een ontslagvergunning verzocht. Dat verzoek is geweigerd bij beslissing van 28 september 1995 op dezelfde grond als het eerdere verzoek.

(vi) PTT heeft vervolgens voorstellen gedaan om te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.

(vii) PTT heeft de kantonrechter te Terneuzen (verder: de kantonrechter) bij verzoekschrift van 23 juli 1997 verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege verandering van omstandigheden. De kantonrechter heeft bij beschikking van 15 oktober 1997 de arbeidsovereenkomst ontbonden per 31 oktober 1997 onder toekenning aan [eiser] van een vergoeding van ƒ 113.000,-- bruto, alsmede ƒ 2.000,-- exclusief BTW voor kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand. Bij de toekenning van voormelde vergoeding heeft de kantonrechter, zakelijk weergegeven en voor zover in cassatie van belang, overwogen dat PTT was tekortgeschoten in haar inspanningsverplichting tot reïntegratie van [eiser]. Gelet daarop heeft de kantonrechter bij toepassing van de zogenoemde kantonrechtersformule een factor van 1.5 gehanteerd.

3.2 [Eiser] heeft bij dagvaarding van 24 april 1998 een vordering tegen PTT ingesteld. Deze vordering strekt ertoe, na wijziging van eis en voor zover in cassatie van belang, PTT te veroordelen aan hem te betalen het loon over de periode van 1 januari 1994 tot 30 oktober 1997 c.a.

De Kantonrechter heeft de vordering afgewezen. De Rechtbank heeft het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd.

3.3 Het middel keert zich tegen de rov. 3.3 en 3.4 van de Rechtbank en strekt ten betoge dat, anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, de omstandigheid dat de kantonrechter in de ontbindingsbeschikking een beëindigingsvergoeding heeft toegekend waarbij hij rekening heeft gehouden met het feit dat PTT zich jegens [eiser] niet als een goed werkgever heeft gedragen door niet te voldoen aan haar inspanningsverplichting tot reïntegratie van [eiser], niet eraan in de weg staat dat [eiser] gerechtigd is in een afzonderlijke procedure te vorderen dat hem ten onrechte niet uitbetaald loon alsnog zal worden uitbetaald.

3.4 Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De bijzondere aard van de wettelijke regeling betreffende de arbeidsovereenkomst brengt mee dat in de regeling betreffende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zoals neergelegd in art. 7:685 BW het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid (of zoals in de onderhavige procedure, aan hetgeen een goed werkgever behoort te doen en na te laten) in beginsel ten volle, onder meeweging van alle voor zijn oordeel relevante factoren, tot uitdrukking behoort te komen in de hoogte van de vergoeding die de rechter op de voet van art. 7:685 met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid aan een der partijen ten laste van de wederpartij toekent, zodat er daarnaast voor zodanige toetsing geen plaats is (HR 2 november 2001, nr. C00/009, NJ 2001, 667).

Deze vergoeding betreft niet aanspraken van de werknemer die zijn ontstaan tijdens de dienstbetrekking en betrekking hebben op de periode vóór de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en die geen verband houden met de (wijze van) beëindiging van de arbeidsovereekomst en de gevolgen van die beëindiging, zoals bij voorbeeld een aanspraak op achterstallig loon. Voor het geldend maken van zodanige aanspraken is deze eenvoudige, op een spoedige beslissing gerichte verzoekschriftprocedure ook niet bedoeld. Niet uitgesloten is evenwel dat de feiten die ten grondslag zijn gelegd aan een vordering die betrekking heeft op de periode voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, ook in aanmerking (kunnen) worden genomen bij de beoordeling van de vraag of de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verandering in de omstandigheden en toekenning van een vergoeding naar billijkheid gerechtvaardigd zijn. In een zodanig geval kan de rechter bij de beoordeling van de vordering onderscheidenlijk het verzoek rekening houden met het in de andere procedure toegekende bedrag (vgl. ook HR 26 januari 1990, nr. 13793, NJ 1990, 499).

3.5 Het in 3.4 overwogene leidt tot de slotsom dat het middel gegrond is. Aan de ontvankelijkheid van de onderhavige op de art. 7:628 en 611 BW gebaseerde loonvorde-ring die betrekking heeft op de periode van 1 januari 1994 tot de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op 30 oktober 1997 en die erop gegrond is dat PTT zich jegens [eiser] niet als een goed werkgever heeft gedragen door niet te voldoen aan haar inspanningsverplichting tot reïntegratie van [eiser], staat niet in de weg dat de kantonrechter bij de bepaling van de vergoeding als bedoeld in art. 7:685 lid 8 eveneens rekening heeft gehouden met voormelde tekortkoming van PTT. Daarbij verdient nog opmerking dat er geen grond is te veronderstellen dat de kantonrechter bij het bepalen van de ontbindingsvergoeding rekening heeft gehouden met de aanspraak die [eiser] in het onderhavige geding geldend wenst te maken.

3.6 Het vorenoverwogene brengt mee dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven en dat de rechter na verwijzing alsnog de op de art. 7:628 en 611 BW gegronde vordering van [eiser] zal hebben te beoordelen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Middelburg van 13 december 2000;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt PTT in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.902,26 in totaal, waarvan € 1.794,49 op de voet van art. 243 Rv. te voldoen aan de Griffier, en € 107,77 te voldoen aan [eiser].

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, A.G. Pos, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 1 maart 2002.