Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD7355

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-03-2002
Datum publicatie
08-03-2002
Zaaknummer
C00/233HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD7355
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 399
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 161
JWB 2002/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 maart 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/233HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

VERWEERDER in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. D.M. de Knijff,

t e g e n

1. [Verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [Verweerster 2], gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [Verweerder 3], wonende te [woonplaats],

VERWEERDERS in cassatie,

EISERS in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. F.M. Wachter.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerders in cassatie/eisers in het incidenteel cassatieberoep - verder te noemen: [verweerster 1], [verweerster 2] en [verweerder 3], dan wel [verweerder] c.s. - hebben bij exploiten van 21 februari 1995 de maatschap [A], gevestigd te [vestigingsplaats], en eiser tot cassatie/verweerder in het incidenteel cassatieberoep - verder te noemen: de maatschap respectievelijk de notaris - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Gravenhage en gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de maatschap en de notaris, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan [verweerster 1] te betalen ƒ 337.500,-- en aan [verweerster 2] en [verweerder 3] te betalen ƒ 88.000,--, zulks vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 januari 1995 tot aan de dag van de algehele voldoening.

De maatschap en de notaris hebben de vorderingen bestreden.

Bij conclusie van repliek hebben [verweerder] c.s. hun vordering tegen de maatschap ingetrokken en de vordering tegen de notaris gehandhaafd.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 13 maart 1996 de vorderingen afgewezen.

Tegen dit vonnis hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De notaris heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij tussenarrest van 28 januari 1998 heeft het Hof de notaris tot bewijslevering toegelaten en bij tussenarrest van 31 mei 2000 heeft het Hof de notaris toegelaten zijn in overweging 11 vermelde stellingen te bewijzen en iedere verdere beslissing aangehouden.

De twee tussenarresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide tussenarresten van het Hof heeft de notaris beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] c.s. hebben tegen laatstgenoemd tussenarrest incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidenteel beroep in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

Ter rolzitting van 9 november 2001 heeft de notaris het principaal beroep ingetrokken; het incidenteel cassatieberoep is gehandhaafd.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de eisers in het incidenteel cassatieberoep.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1 De onderhavige procedure betreft, kort gezegd en voor zover in cassatie nog van belang, een tweetal door [verweerder] c.s. tegen de notaris ingestelde vorderingen tot schadevergoeding, gegrond op handelen in strijd met diens zorgplicht als notaris. Het Hof heeft, nadat de Rechtbank deze vorderingen had afgewezen, in zijn eerste tussenarrest de notaris toegelaten tot bewijs in verband met die zorgplicht. Vervolgens heeft het Hof, nadat op dit punt getuigen waren gehoord, in zijn tweede tussenarrest geoordeeld dat de notaris in verschillende opzichten had gehandeld in strijd met genoemde zorgplicht, dat [verweerder] c.s. hierdoor schade hadden geleden en dat deze schade in beginsel aan dat handelen moest worden toegerekend, waartegenover echter het Hof de notaris overeenkomstig diens aanbod toeliet tot bewijs met betrekking tot een drietal stellingen, door hem ten verwere aangevoerd en door het Hof in rov. 11 van zijn tweede tussenarrest samengevat.

3.2 De notaris heeft tegen beide tussenarresten cassatieberoep ingesteld. [verweerder] c.s. hebben dit cassatieberoep bestreden en hebben daarbij hunnerzijds, uitsluitend wat het tweede tussenarrest betreft, incidenteel cassatieberoep ingesteld. Vervolgens heeft de notaris, op de dag waarop [verweerder] c.s. onder meer in het principaal cassatieberoep hun schriftelijke toelichting gaven, dit beroep alsnog ingetrokken.

4. Beoordeling in het principaal beroep

4.1 De intrekking van het cassatieberoep heeft tot gevolg dat de notaris, nu het door hem aangevoerde middel niet meer kan worden onderzocht, in dat beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.2 De Hoge Raad zal, gelet op de hiervoor in 3.2 vermelde gang van zaken, overeenkomstig een desbetreffend verzoek van [verweerder] c.s., de notaris veroordelen in de kosten van dit beroep.

5. Beoordeling in het incidenteel beroep

5.1 De bij het middel aangevoerde klacht komt in wezen hierop neer, dat het Hof in zijn tweede tussenarrest de notaris ten onrechte zou hebben toegelaten tot tegenbewijs, aangezien het hier gaat om stellingen in het kader van een niet relevant verweer, en dat daarom het Hof dit verweer onmiddellijk had moeten verwerpen en de vorderingen van [verweerder] c.s. onmiddellijk had moeten toewijzen.

5.2 Het middel kan niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft immers omtrent de relevantie van het verweer van de nota-ris nog geen oordeel gegeven en heeft, kennelijk in afwachting van het verdere debat daarover, de notaris toegelaten tot bewijs dienaangaande en zijn oordeel omtrent de deugdelijkheid van dat verweer tot na de bewijslevering opgeschort, welk procesbeleid het Hof vrijstond. Dit betekent dat [verweerder] c.s. hun bezwaren met betrekking tot de relevantie van dat verweer na die bewijslevering alsnog ter toetsing aan de rechter kunnen voorleggen en derhalve, gelet op art. 399 Rv., in het onderhavige cassatieberoep niet-ontvankelijk behoren te worden verklaard.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

in het principaal en het incidenteel beroep:

verklaart beide partijen niet-ontvankelijk in hun beroep;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

in het principaal beroep:

veroordeelt de notaris in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris;

in het incidenteel beroep:

veroordeelt [verweerder] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de notaris begroot op € 68,07 aan verschotten en€ € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en A.G. Pos, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 8 maart 2002.