Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD7352

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-01-2002
Datum publicatie
11-01-2002
Zaaknummer
C00/162HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD7352
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Deltawet grote rivieren 5, geldigheid: 2002-01-11
Deltawet grote rivieren 7, geldigheid: 2002-01-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/43 met annotatie van EvdL
AB 2002, 300
JOL 2002, 13
NJ 2003, 173
RvdW 2002, 16
Gst. 2002-7160, 6
Module Ruimtelijke ordening 2002/1925
JWB 2002/13

Uitspraak

11 januari 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/162HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [Eiseres 1], wonende te [woonplaats],

2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats], Polen,

3. [Eiser 3], wonende te [woonplaats], Cuba,

4. [Eiser 4], wonende te [woonplaats],

5. [Eiser 5], wonende te [woonplaats],

6. de stichting STICHTING BEHEER OSEN, gevestigd te Oosterbeek,

7. de stichting STICHTING TOT EXPLOITATIE VAN HET LANDGOED OSEN, gevestigd te Oosterbeek,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. M.E. Gelpke,

t e g e n

HET WATERSCHAP PEEL EN MAASVALLEI, gevestigd te Blerick, gemeente Venlo,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploit van 15 april 1997 verweerder in cassatie - verder te noemen: het Waterschap - gedagvaard voor de Rechtbank te Roermond en - na wijziging van eis - gevorderd:

primair

het Waterschap te veroordelen om aan [eiser] c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van ƒ 192.103,50, verschuldigd terzake vermeld, vermeerderd met de werkelijke schade over ƒ 182.483,50, vanaf 15 september 1995, tot het moment der algehele betaling, en te bepalen dat deze schade wordt vastgesteld bij staat en vereffend volgens de wet;

subsidiair

het Waterschap te veroordelen om aan [eiser] c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van ƒ 192.103,50 verschuldigd terzake vermeld, vermeer-derd met de wettelijke rente over ƒ 182.483,50 vanaf 15 september 1995, tot het moment der algehele betaling.

Het Waterschap heeft de vordering bestreden en de Rechtbank verzocht te bepalen dat het Waterschap aan [eiser] c.s. is verschuldigd (aldus dat het Waterschap door betaling aan één van de eisers jegens de overige eisers is bevrijd) ƒ 108.486,-- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van ingebruikname van de grond (15 september 1995) tot het moment van betaling.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 3 september 1998 het Waterschap veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] c.s. te voldoen de somma van ƒ 108.486,-- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 1995 tot aan de dag der algehele voldoening.

Tegen dit vonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 22 februari 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen het niet verschenen Waterschap is verstek verleend.

De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem en tot veroordeling van het Waterschap in de kosten.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan, ten dele veronderstellenderwijs, van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiser] c.s. zijn gezamenlijk eigenaar van percelen grond te Heel en Panheel die in het besluit tot vaststelling van een plan als bedoeld in art. 4 lid 3 van de Deltawet grote rivieren (hierna: Dgr) zijn aangewezen als gronden voor speciewinning ten behoeve van de aanleg van kaden.

(ii) Bij brieven van 28 en 29 augustus 1995 heeft het Waterschap aan [eiser] c.s. een schadeloosstelling van ƒ 100.406,-- aangeboden, voor het geval dit aanbod niet tijdig zou worden geaccepteerd een lastgeving tot inbezitneming als bedoeld in art. 5 Dgr aangekondigd, en meegedeeld:

"Als U het met de hoogte van de schadeloosstelling niet eens bent, of als het Waterschap U niet binnen drie maanden een aanbod heeft gedaan tot schadeloosstelling, kunt U zelf een vordering tot schadevergoeding instellen bij de rechtbank te Roermond (…)".

(iii) Bij brief van 7 september 1995 is namens [eiser] c.s. aan het Waterschap bericht dat geen noodzaak bestond voor een lastgeving tot inbezitneming als bedoeld in art. 5 Dgr, omdat zij het Waterschap vrijwillig in de gelegenheid stelden om de speciewinning overeenkomstig het plan onbelemmerd uit te voeren, en voorts:

"In dit verband stellen wij voor dat u een besluit zult nemen waarin u de hoogte van deze vergoeding aangeeft en vervolgens - indien en voorzover wij het met de hoogte daarvan niet eens zijn - zullen wij de gebruikelijke bestuursrechtelijke weg bewandelen, te weten het in eerste instantie richten van een bezwaarschrift tegen het orgaan dat het besluit heeft genomen en mogelijk vervolgens het instellen van beroep bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Arrondissementsrechtbank te Roermond."

(iv) In antwoord hierop heeft het Waterschap bij brief van 11 september 1995 aan [eiser] c.s. bericht:

"Hierbij bevestigen wij formeel dat wij, gezien de door U (…) gegeven garanties/toezeggingen (...) niet zullen overgaan tot het afgeven van een last tot inbezitneming zoals bedoeld in artikel 5, lid 1 van de Deltawet grote rivieren. In het vertrouwen U hiermede voldoende te hebben bericht (…)."

(v) Na enig onderhandelen heeft het Waterschap bij brief van 16 januari 1998 aan [eiser] c.s. bericht dat het dagelijks bestuur had besloten [eiser] c.s. op basis van een advies van de deskundigencommissie van het Waterschap

"een definitief aanbod tot een schadeloosstelling te doen ten bedrage van ƒ 108.486,-- vermeerderd met de wettelijke rente over de periode van de datum ingebruikname (15 september 1995) tot datum uitbetaling schadeloosstelling".

Daaraan heeft het Waterschap toegevoegd dat het bereid was om tot minnelijke overeenstemming te komen op basis van een aanbod van ƒ 121.466,60 vermeerderd met rente. De brief eindigt als volgt:

"In het geval dat dit aanbod, onverhoopt, niet tot overeenstemming mocht leiden en de onderhavige kwestie alsnog aan de rechter ter beslechting wordt voorgelegd, behoudt het waterschap zich het recht voor om in die procedure uit te gaan van de schadeloosstelling ten bedrage van ƒ 108.486,--.

In het vertrouwen u hiermee voldoende te hebben ge-informeerd en in afwachting van uw reactie op ons aanbod."

3.2 Tegenover de vordering van [eiser] c.s. tot betaling van een schadeloosstelling van ƒ 192.103,50 vermeerderd met rente en schadevergoeding op te maken bij staat, heeft het Waterschap verzocht te bepalen dat het een bedrag van ƒ 108.486,-- vermeerderd met de wettelijke rente verschuldigd is. De Rechtbank heeft het Waterschap in het gelijk gesteld. De motivering van deze beslissing kan als volgt worden samengevat. Uit het in 3.1 onder (iii) aangehaalde voorstel van [eiser] c.s., waarmee het Waterschap akkoord is gegaan, moet worden afgeleid dat het niet de bedoeling van partijen is geweest om de toepasselijkheid van de bepalingen in de Dgr over de vaststelling van de schadeloosstelling te "omzeilen". De in 3.1 onder (v) aangehaalde brief van 16 januari 1998 houdt een zogenaamd zuiver schadebesluit in, genomen overeenkomstig de bepaling in art. 7 Dgr dat het bestuursorgaan een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekent. Tegen dat besluit heeft de mogelijkheid van bezwaar en vervolgens beroep opengestaan, maar [eiser] c.s. hebben geen bezwaar gemaakt, zodat de Rechtbank dient uit te gaan van de juistheid van het besluit en het daarin genoemde schadebedrag van ƒ 108.486,--.

3.3 Op het beroep van [eiser] c.s. heeft het Hof onder meer overwogen dat het voorstel van [eiser] c.s. van 7 september 1995 door het Waterschap bij de brief van 11 september 1995 is aanvaard, dat de Rechtbank dat voorstel "voor zover van belang voor de vaststelling van de prijs van de specie evident juist verstaat" en dat de brief van 16 januari 1998 "duidelijk een mededeling van een besluit in bestuursrechtelijke zin (bevat) voor zover daarbij de schadeloosstelling wordt bepaald op ƒ 108.486,--", en voorts:

"Nu het besluit van 16 januari 1998 niet is aangetast langs de geëigende bestuursrechtelijke wegen van bezwaarschrift en beroepschrift die bovendien nog uitdrukkelijk ook in de overeenkomst tussen partijen geïncorporeerd waren, heeft dit besluit formele rechtskracht verkregen."

Het middel bestrijdt dit oordeel met rechts- en motiveringsklachten.

3.4 In het midden kan blijven of het oordeel dat de brief van het Waterschap van 16 januari 1998 een mededeling van een besluit in bestuursrechtelijke zin inhoudt, begrijpelijk is. In ieder geval voert het middel terecht aan dat er geen grondslag bestond voor het nemen van een bestuursrechtelijk besluit als door het Hof bedoeld, te weten een besluit tot het toekennen van schadevergoeding op de voet van art. 7 Dgr. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat partijen over het winnen van specie door het Waterschap van de gronden van [eiser] c.s. een overeenkomst hebben gesloten, ten gevolge waarvan het geven van een last tot inbezitneming achterwege is gebleven. Er is dus geen sprake van uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het winnen van die specie. Evenals een overeenkomst waarbij zaken ter voorkoming van onteigening minnelijk worden verkregen, is een overeenkomst als deze privaatrechtelijk van aard en de gevolgen ervan, in het bijzonder wat de te betalen vergoeding betreft, worden door het privaatrecht beheerst. Daarbij kan in het midden blijven of de brieven van 7 en 11 september 1995, waaruit het Hof dat afleidt, dan wel de overige stukken van het geding, de conclusie rechtvaardigen dat partijen bedoeld hebben overeen te komen voor de vaststelling van een vergoeding de bestuursrechtelijke weg te kiezen. Partijen kunnen immers niet bij overeenkomst een publiekrechtelijke bevoegdheid in het leven roepen waarvoor de wet geen grondslag biedt. Het middel slaagt derhalve.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 22 februari 2000;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Arnhem;

veroordeelt het Waterschap in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] c.s. begroot op € 2.411,35 (ƒ 5.313,92) aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, A.G. Pos en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 11 januari 2002.