Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD7322

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-01-2002
Datum publicatie
11-01-2002
Zaaknummer
C00/075HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:1, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 138, geldigheid: 2002-01-11
Wetboek van Strafrecht 429, geldigheid: 2002-01-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 7
Gst. 2002-7163, 4
Module Vastgoed en wonen 2002/937
JWB 2002/12

Uitspraak

11 januari 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/075HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiser], wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J. Groen,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie, zetelende te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. G. Snijders.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 20 januari 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Utrecht. Na vermeerdering van eis heeft [eiser] gevorderd:

a. de Staat en via haar de Officier van Justitie te Utrecht, te verbieden strafrechtelijke dwangmiddelen, waaronder aanhouding van [eiser] c.s., jegens [eiser] c.s. toe te passen, voor zover deze voortvloeien uit verdenking van [eiser] c.s. van overtreding van art. 138 Sr. dan wel 429sexies Sr. en/of te verbieden anderszins tot feitelijke ontruiming van de panden aan de Burgweg 6-8 te Odijk, gemeente Bunnik, over te gaan of te doen overgaan, voordat omtrent de strafbaarheid van [eiser] ex art. 138 Sr. c.q. 429sexies Sr. door de strafrechter een (onherroepelijke) uitspraak zal zijn gedaan;

b. de Staat te veroordelen om binnen een tijdspanne van drie maanden na 25 januari 1999, althans binnen drie maanden nà het onherroepelijk worden van het in deze te wijzen vonnis, te bevorderen dat door het College van Procureurs-Generaal een richtlijn aan het Openbaar Ministerie wordt uitgevaardigd dat bij de toepassing van art. 429sexies Sr. het begrip 'gebouw' in dat artikel dient te worden uitgelegd overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, dusdanig dat artikel 429sexies alleen mag worden toegepast met de woonfunctie als te beschermen belang.

De Staat heeft de vordering bestreden.

De President heeft bij vonnis van 9 februari 1999 de gevraagde voorzieningen geweigerd.

Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

In hoger beroep heeft [eiser] zijn eis gewijzigd en geconcludeerd dat het Hof, kennelijk, het vonnis zal vernietigen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de Staat alsnog zal veroordelen:

i. in de proceskosten in beide instanties in aanmerking nemende dat de Officier van Justitie te Utrecht in casu niet heeft mogen overgaan tot strafrechtelijke ontruiming van de panden Burgweg 6-8 te Odijk, gemeente Bunnik, op grond van art. 138 Sr. dan wel art. 429sexies Sr. alvorens omtrent de strafbaarheid van [eiser] ex art. 138 c.q. 429sexies Sr. door de strafrechter een (onherroepelijke) uitspraak was gedaan;

ii. om binnen een tijdspanne van drie maanden na 25 januari 1999, althans binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van het arrest, te bevorderen dat door het College van Procureurs-Generaal een richtlijn aan het Openbaar Ministerie wordt uitgevaardigd dat bij de toepassing van art. 429sexies Sr. het begrip 'gebouw' in dat artikel dient te worden uitgelegd overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, dusdanig dat artikel 429sexies alleen mag worden toegepast met de woonfunctie als te beschermen belang;

iii. tot betaling van ƒ 250,-- als voorschot op een vergoeding van de schade welke is ontstaan, omdat de Officier van Justitie te Utrecht reeds tot strafrechtelijke ontruiming is overgegaan, terwijl er wel reeds was gedagvaard in kort geding en de Officier van Justitie heeft geweigerd te wachten op de beslissing van de President van de Rechtbank te Utrecht in dat kort geding.

Bij arrest van 13 januari 2000 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de kosten.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Het gaat in dit geding om het volgende. [Eiser] heeft op 17 januari 1999 samen met anderen gebouwen van het voormalige defensiecomplex aan de Burgweg 6-8 te Odijk, gemeente Bunnik, gekraakt. Dit complex heeft nimmer een woonfunctie gehad. Het Openbaar Ministerie te Utrecht heeft op 20 januari 1999 de door de krakers in gebruik genomen gedeelten van het complex doen ontruimen.

3.2 [Eiser] heeft de Staat op 20 januari 1999 in kort geding gedagvaard en gevorderd een verbod tot het toepassen van strafvorderlijke dwangmiddelen tegen hem, voor zover deze voortvloeien uit verdenking van overtreding van art. 138 en/of art. 429sexies Sr., alsmede een verbod tot feitelijke ontruiming, zolang niet de strafrechter omtrent de strafbaarheid te dier zake van [eiser] onherroepelijk uitspraak had gedaan. [eiser] heeft voorts bij wege van vermeerdering van eis gevorderd dat het de Staat wordt geboden een richtlijn aan het Openbaar Ministerie te doen uitvaardigen door het College van procureurs-generaal, waarin de door hem voorgestane interpretatie van artikel 429sexies - het begrip "gebouw" in dat artikel dient te worden uitgelegd overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, dusdanig dat art. 429sexies alleen mag worden toegepast met de woonfunctie als te be-schermen belang - wordt neergelegd. De President heeft de vorderingen afgewezen.

3.3 Van het vonnis van de President is [eiser] in hoger beroep gekomen. Hij heeft gevorderd, samengevat, a. een veroordeling van de Staat in de proceskosten van de beide instanties, zulks in aanmerking nemende dat de Officier van Justitie niet tot ontruiming van de panden aan de Burgweg 6-8 had mogen overgaan, alvorens door de strafrechter een (onherroepelijke) uitspraak was gedaan, b. een gebod aan de Staat tot het uitvaardigen van de hiervoor onder 3.2 genoemde richtlijn inzake de betekenis van art. 429sexies en c. een veroordeling van de Staat tot betaling van ƒ 250,-- als voorschot op de schade die [eiser] heeft geleden ten gevolge van de onjuiste ontruiming.

Het Hof heeft het vonnis waarvan beroep bekrachtigd en het in hoger beroep meer of anders gevorderde afgewezen.

3.4 Het Hof oordeelde evenals de President dat het door [eiser] verlangde gebod tot het door het College van procureurs-generaal uitvaardigen van een richtlijn niet in kort geding toewijsbaar is, alsmede dat de door [eiser] bepleite interpretatie van artikel 429sexies niet juist is: "Uit de wetsgeschiedenis valt, anders dan [eiser] heeft betoogd, niet af te leiden dat met 'gebouw' in dit artikel uitsluitend gebouwen met een woonfunctie worden bedoeld" (rov. 4.6). Het Hof oordeelde voorts dat de in art. 429sexies bedoelde situatie van gebruik door de rechthebbende korter dan twaalf maanden vóór het kraken zich te dezen voordoet (rov. 4.7-4.9). Het Hof heeft met betrekking tot het betoog van [eiser] dat de Officier van Justitie op 20 januari 1999 niet tot daadwerkelijke uitvoering van het besluit tot ontruiming had mogen overgaan, maar de uitkomst van het aangekondigde kort geding had moeten afwachten, geoordeeld dat de Officier van Justitie in beginsel de vrijheid heeft al dan niet tot uitvoering van het - rechtmatige - besluit tot ontruiming over te gaan en in geval van uitvoering het moment te bepalen waarop dat gebeurt, en dat er geen bijzondere feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit anders kan volgen. In het bijzonder, aldus het Hof, is niet gesteld of aannemelijk geworden dat [eiser] er gerechtvaardigd op had mogen vertrouwen dat met ontruiming zou worden gewacht. Dit een en ander rechtvaardigt, naar het oordeel van het Hof, niet de conclusie dat het kennelijk onredelijk is geweest van de Officier van Justitie niet op de uitkomst van het kort geding te wachten (rov. 4.10-4.12).

3.5 Beide middelen strekken onder meer ten betoge dat onder "gebouw" in de zin van art. 429sexies slechts moet worden begrepen een gebouw dat tot bewoning dient, welk begrip in die zin te onderscheiden is van het eveneens in art. 429sexies voorkomende begrip "woning", dat onder dit laatste slechts zou vallen woonruimte die als zodanig in gebruik is.

Dit betoog faalt. De tekst van art. 429sexies wijst veeleer erop dat onder "gebouw" te verstaan is een bouwwerk dat - in tegenstelling tot een "woning" in de zin van dit artikel - niet bestemd is tot bewoning. De in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 2.4.2, 2.4.4, 2.4.5, 2.4.7.1 en 2.4.7.3 weergegeven wetsgeschiedenis, waaruit onder meer valt af te leiden dat de in de Leegstandwet gegeven definitie van "gebouw" geen betekenis heeft voor de uitleg van art. 429sexies, biedt evenmin steun voor de door de middelen voorgestane uitleg.

3.6 Middel I is voorts gericht tegen rov. 4.10-4.12 en klaagt dat de Officier van Justitie ten onrechte tot ontruiming is overgegaan voordat de rechter in kort geding uitspraak had gedaan.

Het oordeel van het Hof dat het niet kennelijk onredelijk is geweest van de Officier van Justitie niet op de uitkomst van het kort geding te wachten, geeft, mede gezien het hiervoor onder 3.5 overwogene, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting; verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard kan het voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. Met name betekent de door het middel nog aangevoerde omstandigheid dat in het arrondissement Amsterdam de gewoonte zou bestaan in geval van optreden tegen krakers de uitspraak in kort geding af te wachten alvorens tot ontruiming over te gaan, niet dat hiertoe een rechtsplicht voor de Officier van Justitie in een ander arrondissement bestaat of dat het in strijd zou zijn met de in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid niet het voorbeeld van het arrondissement Amsterdam te volgen. De klacht faalt derhalve.

3.7 Middel I klaagt ten slotte nog over onbegrijpelijkheid van 's Hofs oordeel (rov. 4.9) dat voldoende aannemelijk is dat het ontruimde gedeelte van het complex in de periode van twaalf maanden voor 17 januari 1999 in gebruik is geweest. Dit oordeel geeft, anders dan het middel betoogt, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het kan voor het overige als van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Het behoefde, mede in aanmerking genomen dan het hier gaat om een kort geding, geen nadere motivering. Onbegrijpelijk is het niet. De klacht faalt derhalve eveneens.

3.8 Middel II klaagt dat het Hof heeft afgewezen de vordering dat de Staat wordt geboden een richtlijn te doen uitvaardigen door het College van procureurs-generaal, waarin de door [eiser] voorgestane interpretatie van art. 429sexies wordt neergelegd.

Deze klacht faalt reeds op grond van het hiervoor in 3.5 overwogene.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 286,88 (ƒ 632,20) aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 11 januari 2002.