Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD6434

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-06-2002
Datum publicatie
17-06-2002
Zaaknummer
35976
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD6434
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2002, 867 met annotatie van Nieuwenhuizen
BNB 2002/287
FED 2002/368
FED 2002/471
WFR 2002/938, 1
V-N 2002/32.20

Uitspraak

Hoge Raad der Nederlanden

D e r d e K a m e r

Nr. 35.976

14 juni 2002

EC

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 januari 2000, nr. P99/00071, betreffende na te melden aan de fiscale eenheid X Ltd., c.s. te Z opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting.

1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 1992 tot en met 31 december 1995 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 454.103, zonder verhoging, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag ten bedrage van ƒ 81.019.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de Inspecteur alsmede de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 1 november 2001 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk gereageerd op de conclusie.

3. Beoordeling van 's Hofs uitspraak naar aanleiding van het middel en ambtshalve

3.1.1. Tot belanghebbende, een fiscale eenheid voor de heffing van omzetbelasting, behoren onder meer X1 Ltd. en de verzekeringsmaatschappij X2 Ltd. (hierna: X2 Ltd.), beide gevestigd in het Verenigd Koninkrijk. X1 Ltd. en X2 Ltd. hebben elk in Nederland een vaste inrichting als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (tekst tot 29 december 1995; hierna: de Wet).

Krachtens de regelgeving die geldt in het Verenigd Koninkrijk, dat evenals Nederland uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 4, lid 4, tweede volzin, van de Zesde richtlijn, behoren X1 Ltd. en X2 Ltd. eveneens tot een fiscale eenheid. Van laatstgenoemde fiscale eenheid maakt ook deel uit de in de Verenigde Staten gevestigde vennootschap B (hierna: B) die een vaste inrichting in de zin van artikel 9, lid 1, van de Zesde richtlijn heeft in het Verenigd Koninkrijk.

3.1.2. B, X1 Ltd. en X2 Ltd. maken deel uit van het wereldwijd opererende A-concern waarvan de leiding in de Verenigde Staten is gevestigd. B beheert onder de naam 'C' het internationale datasysteem van het A-concern en verricht als zodanig automatiseringswerkzaamheden ten behoeve van de onderdelen van het A-concern. De kosten van C worden door B op basis van bestede computertijd toegedeeld aan de onderdelen van het A-concern. Voor wat betreft Europa brengt B deze kosten vanuit haar vaste inrichting in het Verenigd Koninkrijk in rekening aan de verschillende in Europa gevestigde vennootschappen, onder meer aan X2 Ltd.. X2 Ltd. brengt ten laste van haar vaste inrichting het deel van deze kosten dat betrekking heeft op die inrichting.

3.1.3. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat X2 Ltd. slechts voor wat betreft haar vaste inrichting in Nederland tot belanghebbende behoort. Belanghebbende moet, aldus de Inspecteur, voor de heffing van omzetbelasting worden aangemerkt als een van de hoofdvestiging van X2 Ltd. in het Verenigd Koninkrijk te onderscheiden, zelfstandige ondernemer. Dit heeft tot gevolg dat met betrekking tot het door X2 Ltd. ten laste van haar vaste inrichting in Nederland brengen van de hiervóór in 3.1.2 bedoelde kosten van C naar de mening van de Inspecteur voor de heffing van omzetbelasting sprake is van het door de hoofdvestiging van X2 Ltd. in het Verenigd Koninkrijk aan belanghebbende in rekening brengen en door belanghebbende voldoen van een vergoeding voor aan laatstgenoemde verrichte diensten. Deze diensten worden volgens de Inspecteur krachtens het bepaalde in artikel 6, lid 2, letter d, ten derde, van de Wet in Nederland verricht. Op grond hiervan is met toepassing van artikel 12, lid 3, van de Wet nageheven.

3.2. Het Hof heeft vooropgesteld dat de werkzaamheden die B onder de naam C jegens X2 Ltd. verricht, moeten worden aangemerkt als diensten in de zin van de artikelen 2 en 6 van de Zesde richtlijn en van artikel 4 van de Wet. Voorts heeft het onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 3 maart 1994, zaak nr. C-16/93 (Tolsma), Jurispr. 1994, blz. I-1123, BNB 1994/271, geoordeeld dat van de kosten die X2 Ltd. ten laste brengt van haar vaste inrichting in Nederland niet kan worden gezegd dat deze vergoedingen zijn voor prestaties als bedoeld in artikel 4 van de Wet en artikel 6 van de Zesde richtlijn, aangezien de desbetreffende verrichtingen niet voldoen aan het vereiste dat zij onder bezwarende titel worden verricht, nu de daarvoor vereiste rechtsbetrekking ontbreekt vanwege het feit dat de vaste inrichting van X2 Ltd. en het hoofdkantoor van X2 Ltd. in het Verenigd Koninkrijk juridisch een en dezelfde (rechts)persoon zijn. Dat de Nederlandse vaste inrichting van X2 Ltd. deel uitmaakt van een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet doet daaraan naar 's Hofs oordeel niet af.

Voorts heeft het Hof, naar zijn oordeel ten overvloede, geoordeeld dat, nu de Inspecteur de rechtspersonen X2 Ltd. en X1 Ltd. als een fiscale eenheid heeft aangemerkt waarbij hij handelde in overeenstemming met het bepaalde in artikel 7, lid 4, van de Wet, de ten laste van de vaste inrichting gebrachte kosten slechts betrekking hebben op interne verrichtingen binnen de fiscale eenheid.

Tegen deze oordelen is het middel gericht.

3.3.1. Krachtens artikel 7, lid 4, van de Wet worden natuurlijke personen en lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die in Nederland wonen of zijn gevestigd dan wel aldaar een vaste inrichting hebben en die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven dat zij een eenheid vormen, al dan niet op verzoek van één of meer van deze natuurlijke personen of lichamen, bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur als één ondernemer aangemerkt.

3.3.2. Noch uit de tekst van artikel 7, lid 4, van de Wet noch uit de geschiedenis van de totstandkoming daarvan is op te maken dat, zoals in het middel wordt betoogd, het buitenlandse hoofdkantoor van een ondernemer met een vaste inrichting in Nederland geen deel kan uitmaken van een Nederlandse fiscale eenheid vanwege de in artikel 7, lid 4, van de Wet in overeenstemming met artikel 4, lid 4, tweede volzin, van de Zesde richtlijn bedoelde territoriale beperking van de fiscale eenheid. Artikel 7, lid 4, van de Wet houdt op dit punt immers niet meer in dan dat natuurlijke personen en lichamen in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die buiten Nederland zijn gevestigd en in Nederland geen vaste inrichting hebben, voor de heffing van (Nederlandse) omzetbelasting niet tot een fiscale eenheid kunnen behoren. Natuurlijke personen en lichamen die in Nederland zijn gevestigd dan wel, zo zij buiten Nederland zijn gevestigd, in Nederland een vaste inrichting hebben, kunnen voor de heffing van (Nederlandse) omzetbelasting wel als één ondernemer worden aangemerkt.

3.3.3. Het vorenstaande betekent in de eerste plaats dat de gevolgen die de fiscale eenheid voor de heffing van (Nederlandse) omzetbelasting heeft - in het bijzonder dat ter zake van onderlinge leveringen en diensten geen omzetbelasting verschuldigd is - , zich uitstrekken tot alle betrekkingen tussen de personen en lichamen die deel uitmaken van de fiscale eenheid. Zo is niet aan de heffing van omzetbelasting onderworpen een dienst als bedoeld in artikel 6, lid 2, letter d, van de Wet, die vanuit een hoofdvestiging van een lichaam met een vaste inrichting in Nederland wordt verricht voor een vaste inrichting in Nederland van een ander buiten Nederland gevestigd lichaam, dat met het eerstgenoemde lichaam een fiscale eenheid vormt als bedoeld in artikel 7, lid 4, van de Wet.

3.3.4. Voorts betekent hetgeen hiervóór in 3.3.1 en 3.3.2 is overwogen, dat een buiten Nederland gevestigd lichaam met een vaste inrichting in Nederland als zodanig, dat wil zeggen met inbegrip van de hoofdvestiging, voor de heffing van (Nederlandse) omzetbelasting deel uitmaakt van een fiscale eenheid. Er kan derhalve geen sprake zijn van aan de heffing van omzetbelasting onderworpen prestaties tussen de hoofdvestiging en de vaste inrichting, evenmin als dit, zoals in het middel terecht naar voren wordt gebracht, het geval is bij prestaties tussen de hoofdvestiging en de vaste inrichting in Nederland van een lichaam dat geen onderdeel is van een fiscale eenheid in de zin van artikel 7, lid 4, van de Wet.

3.3.5. Gelet op hetgeen hiervóór - in het bijzonder in 3.3.4 - is overwogen, is in het onderhavige geval geen sprake van aan de heffing van omzetbelasting onderworpen prestaties tussen de hoofdvestiging van X2 Ltd. in het Verenigd Koninkrijk en haar vaste inrichting in Nederland, zodat het middel faalt.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep ongegrond,en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2002.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 327.