Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD6266

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-05-2002
Datum publicatie
23-05-2002
Zaaknummer
00090/01 E
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD6266
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 293
NJ 2002/404
JM 2002/99 met annotatie van Koopmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 mei 2002

Strafkamer

nr. 00090/01 E

AS/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, van 22 augustus 2000, nummer 20/001418-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1949, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de strafoplegging - bevestigd een vonnis van de economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 4 februari 1999, waarbij de verdachte is veroordeeld ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 7 van de Vogelwet 1936, opzettelijk begaan". Het Hof heeft bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat ten aanzien van de onderhavige havik niet is voldaan aan het vereiste dat deze overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens art. 20 Vogelwet 1936 binnen het grondgebied van Nederland is gebracht. In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat de verdachte door middel van de overlegging van een door de daartoe bevoegde instantie afgegeven zogenoemd Cites-certificaat heeft aangetoond dat deze havik is gekweekt in de Bondsrepubliek Duitsland.

4.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:

"hij op 31 juli 1998 in de gemeente Beesel, een havik (Accipiter gentilis), zijnde een beschermde vogel, onder zich heeft gehad, terwijl hij, verdachte, dit economisch delict opzettelijk heeft begaan.?

4.3. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:

- art. 7 Vogelwet 1936:

"Het is verboden beschermde vogels (...) onder zich te hebben (...).?

- art. 20 Vogelwet 1936:

"Het bepaalde in de artikelen 5, 7, 8 en 9 geldt niet ten aanzien van beschermde vogels behorend tot door Onze Minister aangewezen soorten en hun produkten, eieren of nesten waarvan de houder kan aantonen dat deze zijn gekweekt of op het grondgebied van één der andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen dan Nederland op geoorloofde wijze zijn verkregen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het in de vorige volzin bepaalde voorwaarden en beperkingen worden gesteld.?

- art. 2 Regeling uitvoering Vogelwet 1936:

"De soorten, bedoeld in artikel 20 van de wet, zijn:

a. voorzover de houder kan aantonen dat de vogels zijn gekweekt alle soorten, met uitzondering van de soorten opgenomen in de bijlage bij deze regeling;

b. (...).?

- in de in voormeld art. 2 onder a bedoelde bijlage is opgenomen: Accipiter gentilis/Havik.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat de havik niet behoort tot de soorten van beschermde vogels waarvoor op grond van art. 20 Vogelwet 1936 art. 7 van die wet niet geldt, indien de houder kan aantonen dat deze zijn gekweekt of op het grondgebied van één der andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen dan Nederland op geoorloofde

wijze zijn verkregen. Het middel faalt derhalve.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, A.J.A. van Dorst en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 21 mei 2002.

Mr. G.J.M. Corstens is buiten staat dit arrest te ondertekenen.