Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD6228

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2002
Datum publicatie
15-01-2002
Zaaknummer
03749/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD6228
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 287, geldigheid: 2002-01-15
Wetboek van Strafvordering 288, geldigheid: 2002-01-15
Wetboek van Strafvordering 299, geldigheid: 2002-01-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 35

Uitspraak

15 januari 2002

Strafkamer

nr. 03749/00

AS/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 juli 2000, nummer 20/000441-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1941, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 20 juli 1999, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 1 primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1 subsidiair "medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen" veroordeeld tot een geldboete van ƒ 340,--, subsidiair 6 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De benadeelde partij heeft een geschrift ingediend, dat evenwel niet kan worden aangemerkt als een schriftuur houdende middelen van cassatie.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof een namens de verdachte ter terechtzitting gedaan verzoek om aldaar een deskundige te horen onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

"De raadsman voert vervolgens aan - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik heb een deskundige meegenomen naar de zitting van vandaag en ik verzoek het hof deze deskundige te horen. Het betreft hier Mr Steijnen, deskundige op het gebied van het zogeheten humanitaire oorlogsrecht en het kernwapenrecht. Hij is advocaat in Zeist.

Mr Steijnen heeft veel expertise door het voeren van procedures op dit gebied. Hij procedeert regelmatig namens particulieren tegen de Staat. Daar komt nog bij dat Mr Steijnen regelmatig publiceert in de dag- en weekbladpers.

(...)

Het hof trekt zich terug teneinde zich te beraden omtrent het verzoek van de raadsman.

Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat, nog daargelaten de deskundigheid van de getuige, ter terechtzitting niet een voldoende mate van onafhankelijkheid en onpartijdigheid aannemelijk is geworden. Op die grond wijst het hof het verzoek af."

3.3. Ingevolge het bepaalde in art. 287, tweede lid, Sv in verbinding met art.299, eerste lid, Sv kan een verzoek als waarvan hier sprake is - te weten een verzoek van de verdediging om een ter terechtzitting meegebrachte deskundige te horen - slechts worden afgewezen op de gronden genoemd in art. 288, eerste lid onder b en c, Sv. Van die gronden komt hier alleen de laatste in aanmerking, te weten dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het niet horen van die deskundige niet in zijn verdediging is geschaad.

3.4.1. Uit het onder 3.2 overwogene volgt dat de raadsman niet heeft aangegeven in hoeverre een verklaring van mr. Steijnen als deskundige op het "zogeheten humanitaire oorlogsrecht en het kernwapenrecht" relevant zou kunnen zijn voor enige te nemen beslissing in deze zaak, die kort gezegd betrekking heeft op het beschadigen van een hekwerk, en waaromtrent de verdediging genoemde deskundige zou willen horen.

3.4.2. Tegen die achtergrond moeten de overwegingen van het Hof aldus worden verstaan dat het daarin, zij het in minder gelukkige bewoordingen, met de zinsnede "nog daargelaten de deskundigheid van de getuige" - waarbij het Hof kennelijk het oog heeft op de aard van de gestelde deskundigheid - in de eerste plaats als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat, uitgaande van de gestelde deskundigheid van mr. Steijnen op het aangegeven gebied, het verzoek niet voor toewijzing vatbaar is omdat de kennelijk door de verdediging beoogde, op die specifieke deskundigheid gebaseerde, juridische voorlichting niet relevant kan zijn voor enige in deze zaak te nemen beslissing. Aldus heeft het Hof de juiste maatstaf toegepast. Dat oordeel is voorts, gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4.1 is overwogen en op de aard van de gestelde deskundigheid en het aan de verdachte verweten feit, niet onbegrijpelijk en kan in cassatie niet verder worden

getoetst. Het draagt de afwijzing van het verzoek zelfstandig. Aldus heeft het Hof de afwijzing van het verzoek toereikend gemotiveerd, wat er zij van hetgeen het Hof voorts nog heeft overwogen omtrent het gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de opgegeven deskundige.

3.5. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

4. Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 15 januari 2002.