Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD6226

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2002
Datum publicatie
30-01-2002
Zaaknummer
03733/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD6226
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 248, geldigheid: 2002-01-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 58

Uitspraak

29 januari 2002

Strafkamer

nr. 03733/00

KD/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 augustus 2000, nummer 23/002350-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats], ten tijde van het instellen van beroep in cassatie gedetineerd in het Huis van Bewaring "Demersluis" te Amsterdam.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 4 augustus 2000, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "poging tot doodslag" en 3. primair "ontucht plegen met een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twee jaren en zes maanden gevangenisstraf en waarbij is bevolen dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep - dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraak - is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de verdachte niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep voor zover het is gericht tegen tussenbeslissingen waarop het arrest van het Hof niet berust en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep tegen de ter terechtzittingen van 3 februari 2000 en 23 mei 2000 genomen beslissingen

3.1.1. De stukken van het geding houden het volgende in:

(i) de zaak is in hoger beroep voor het eerst behandeld op de terechtzitting van het Hof van 20 januari 2000. Op verzoek van de raadsman is het onderzoek toen door het Hof geschorst;

(ii) ter terechtzitting van 3 februari 2000 is het onderzoek wegens gewijzigde samenstelling van het Hof opnieuw aangevangen. Het Hof heeft het onderzoek geschorst en de zaak verwezen naar de Rechter-Commissaris voor nader onderzoek;

(iii) ter terechtzitting van 20 april 2000 is het onderzoek door het Hof opnieuw geschorst aangezien de Rechter-Commissaris nog geen onderzoek had verricht;

(iv) ter terechtzitting van 23 mei 2000 is het onderzoek wegens gewijzigde samenstelling van het Hof opnieuw aangevangen. Het Hof heeft het onderzoek geschorst;

(v) ter terechtzitting van 25 juli 2000 is het onderzoek wegens gewijzigde samenstelling van het Hof opnieuw aangevangen.

3.1.2. Het arrest van het Hof is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 28 juli 1999 en in hoger beroep van 25 juli 2000.

3.2. Nu het onderzoek ter terechtzitting van 25 juli 2000 opnieuw is aangevangen, kan de verdachte niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen, voorzover dit is gericht tegen de ter terechtzittingen van 3 februari 2000 en 23 mei 2000 genomen beslissingen. Dit betekent dat de Hoge Raad niet toekomt aan de bespreking van het eerste, het tweede en het vierde middel en van de eerste klacht van het derde middel.

4. Beoordeling van de overige klachten

De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak - voorzover aan zijn oordeel onderworpen - ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet worden beslist als volgt.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn beroep voorzover dit is gericht tegen de ter terechtzittingen van 3 februari 2000 en 23 mei 2000 genomen beslissingen;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 29 januari 2002.