Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD5818

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-2002
Datum publicatie
28-01-2002
Zaaknummer
R01/061HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD5818
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 284, geldigheid: 2002-01-25
Faillissementswet 295, geldigheid: 2002-01-25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 44
NJ 2002, 314
RvdW 2002, 21
EB 2002, 20
FJR 2002, 44
JWB 2002/28

Uitspraak

25 januari 2002

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/061HR

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De man], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt,

t e g e n

[De vrouw], wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. A.R. Sturhoofd.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 15 maart 2000 ter griffie van de Rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht de door hem aan verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - verschuldigde uitkering tot levensonderhoud, zoals door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 29 oktober 1998 vastgesteld, te vernietigen met terugwerkende kracht tot 24 januari 2000 en deze op nihil te stellen, althans te verlagen tot een zodanig bedrag met ingang van zodanige datum als de Rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren.

De vrouw heeft het verzoek bestreden.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 16 augustus 2000 het verzoek afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.

Bij beschikking van 1 maart 2001 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigd.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A.

Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn met elkaar gehuwd op 25 november 1964. Hun huwelijk is op 7 augustus 1996 ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het echtscheidingsvonnis van 6 april 1994.

(ii) Het Hof heeft bij arrest van 29 oktober 1998 de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 7 augustus 1996 bepaald op ƒ 2.300,-- per maand. Het Hof heeft in dit arrest op de daarin weergegeven gronden geen rekening gehouden met de door de man nog te betalen achterstallige inkomstenbelasting, welke achterstand op 22 september 1995 ƒ 159.912,-- bedroeg. Op grond van een op 22 september 1995 met de fiscus getroffen regeling, die was gebaseerd op de toenmalige inkomensstroom van de man en zijn partner, diende de man op deze schuld ƒ 5.000,-- per maand af te lossen.

(iii) De Rechtbank te Amsterdam heeft bij vonnis van 24 januari 2000 ten aanzien van de man de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uit hoofde van art. 284 F. uitgesproken. Daarbij zijn als schulden door de man opgegeven:

- een schuld van ƒ 218.079,-- als achterstallige aan de vrouw verschuldigde alimentatie, na verificatie vastgesteld op ƒ 160.000,--;

- een schuld aan de belastingdienst van ƒ 51.147,--, exclusief verschuldigde invorderingsrente (totaal ongeveer ƒ 60.031,--) voor teruggaaf over 1991, na verificatie op een definitieve lijst geplaatst voor een bedrag van ƒ 19.147,--;

- een schuld van ƒ 18.676,-- aan de Sociale Dienst te [woonplaats], ter zake van verhaal van aan de vrouw verleende bijstand, na verificatie wat betreft de concurrente schuldeisers op een definitieve lijst geplaatst voor een bedrag van ƒ 9.434,34;

- een schuld in rekening courant van ƒ 216.634,-- aan [A] B.V., een vennootschap waarvan de man directeur en enig aandeelhouder is.

Deze schulden hebben uitsluitend betrekking op ten tijde van voormeld arrest van het Hof bekende feiten en omstandigheden, met name de verplichting ƒ 5.000,-- per maand aan de fiscus te betalen en de verplichting ƒ 2.300,-- per maand aan de vrouw te betalen.

3.2 In het onderhavige geding heeft de man verzocht het arrest van het Hof van 29 oktober 1998 te wijzigen, in dier voege dat de bijdrage tot het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 24 januari 2000 op nihil wordt gesteld. De man heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat zijn financiële omstandigheden zijn gewijzigd, met name doordat op 24 januari 2000 ten aanzien van hem de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling is uitgesproken. De Rechtbank heeft het verzoek afgewezen en het Hof heeft de beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.

3.3 Onderdeel 1 klaagt dat het Hof, overwegende als het in zijn rov. 3.2 en 3.4 heeft gedaan, het recht heeft geschonden doordat het de beslissingen van de Rechtbank van 24 januari 2000 met betrekking tot het toepassen van de schuldsaneringsregeling en van 13 september 2000 tot het voortzetten daarvan op onaanvaardbare wijze heeft doorkruist.

Met betrekking tot dit onderdeel stelt de Hoge Raad het volgende voorop. De rechter zal bij de beoordeling van een verzoek van een alimentatieplichtige een vastgestelde uitkering tot levensonderhoud op grond van een wijziging van de omstandigheden op een lager bedrag of nihil vast te stellen, in aanmerking kunnen nemen dat ten aanzien van de alimentatieplichtige de schuldsaneringsregeling van toepassing is en veelal de in dat verband vastgestelde feiten tot uitgangspunt kunnen nemen. De regeling met betrekking tot de alimentatie en die met betrekking tot de schuldsanering hebben evenwel een verschillende strekking: terwijl een beslissing inzake schuldsanering ertoe strekt vast te stellen welk bedrag de schuldenaar ter vermijding van zijn faillissement aan zijn schuldeisers kan betalen, heeft een beslissing met betrekking tot de alimentatie ten doel vast te stellen of en zo ja tot welk bedrag de alimentatieplichtige tot het levensonderhoud van de gerechtigde dient bij te dragen. Daarbij gelden verschillende maatstaven: met betrekking tot de vraag of een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt toegewezen, gelden de in art. 288 F. genoemde maatstaven, bij de beslissing omtrent de alimentatie gaat het om draagkracht en behoefte, waarbij de rechter in beginsel vrij is te beoordelen aan welke omstandigheden hij betekenis wil toekennen. In aanmerking genomen dat alimentatieverplichtingen die opeisbaar worden na de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet ten laste van de boedel komen, en derhalve behoren te worden betaald uit het buiten de boedel gelaten bedrag (art. 295 leden 2 en 3), is ten slotte van belang dat de draagkracht van de alimentatieplichtige niet uitsluitend wordt bepaald door diens inkomen, en dat reeds daarom het buiten de boedel gelaten bedrag, dat in beginsel gelijk is aan de beslagvrije voet bedoeld in art. 475d Rv., niet zonder meer beslissend is voor de omvang van de alimentatieverplichting.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het Hof, door te overwegen dat de man op eigen initiatief en zonder voldoende noodzaak toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft verzocht, dat met de schulden aan zijn B.V. en aan de vrouw en de gemeente [woonplaats] geen rekening behoort te worden gehouden, en dat hij het in zijn macht heeft zijn financiële situatie zodanig te regelen dat hij in staat moet worden geacht aan de verplichtingen ten opzichte van zijn ex-echtgenote te voldoen, bij de beoordeling van de vraag of de alimentatie moet worden verminderd geen onjuiste maatstaven heeft gehanteerd. Anders dan het onderdeel betoogt, doorkruist de beslissing van het Hof niet de beslissingen van de Rechtbank omtrent de schuldsanering. Uit de parlementaire geschiedenis, aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9, blijkt dat uitdrukkelijk onder ogen is gezien dat toepassing van de schuldsaneringsregeling niet onverenigbaar is met het voortbestaan van een verplichting tot levensonderhoud.

Het onderdeel treft derhalve geen doel.

3.4 Voor zover onderdeel 2 berust op het uitgangspunt dat uitsluitend de in het kader van de schuldsanering vrij te laten middelen beslissend zijn voor de beoordeling van de vraag of de alimentatie wat betreft de draagkracht van de man aan de wettelijke maatstaven voldoet, faalt het op grond van hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen. Ook overigens is onderdeel 2, evenals de onderdelen 3 en 4, tevergeefs voorgesteld. Het Hof heeft zijn beslissing onder meer doen steunen op zijn oordelen dat de man zonder voldoende reden toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft verzocht (rov. 3.4) en dat hij het in zijn macht heeft zijn financiële situatie zodanig te regelen dat hij in staat moet worden geacht aan de verplichtingen ten opzichte van zijn ex-echtgenote te voldoen (rov. 3.6). Deze oordelen en de daarop gebaseerde gedachtengang van het Hof geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn in het licht van de stukken van het geding en van hetgeen ter terechtzitting van het Hof is gebleken, niet onbegrijpelijk. Zij behoefden evenmin nadere motivering; met name behoefde het Hof in zijn beschikking niet een berekening van de feitelijke draagkracht of de fictieve draagkracht van de man op te nemen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 25 januari 2002.