Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD5578

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-01-2002
Datum publicatie
30-01-2002
Zaaknummer
03916/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD5578
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 588, geldigheid: 2002-01-29
Wetboek van Strafvordering 588, geldigheid: 2002-01-29
Wetboek van Strafvordering 588, geldigheid: 2002-01-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2002, 74
NBSTRAF 2002/74
JOL 2002, 60

Uitspraak

29 januari 2002

Strafkamer

nr. 03916/00

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 28 april 2000,

nummer 21/000283-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats], zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Almelo van 16 september 1999 - de verdachte ter zake van "handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd" veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, behoudens voorzover daarbij het vonnis van de Politierechter is vernietigd, en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1. In deze zaak staat ter beoordeling de betekening van de dagvaarding in hoger beroep aan een verdachte die niet in Nederland is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en van wie in Nederland geen feitelijke woon- of verblijfplaats doch in het buitenland wel een adres bekend is.

3.2.1. De tekst van art. 588 Sv, dat de uitreiking van gerechtelijke stukken regelt, is laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 7 juli 1994, Stb. 1994, 565, welke wet in werking is getreden op 1 oktober 1994. Daarvoor luidde deze bepaling, voorzover hier van belang:

"5. In de gevallen waarin van de persoon voor wie het schrijven bestemd is geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is, wordt het stuk uitgereikt aan de griffier van de rechtbank waar of in welker rechtsgebied de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend. De griffier doet het schrijven toekomen aan degene voor wie het bestemd is, zodra het adres in Nederland alsnog bekend wordt.

6. In de gevallen, bedoeld in het vorige lid, waarin de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, verzendt het openbaar ministerie een afschrift van het schrijven, hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie, aan de persoon voor wie het bestemd is. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht, dat het stuk is uitgereikt aan de persoon voor wie het bestemd is, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken."

3.2.2. Thans luidt art. 588 Sv, voorzover hier van belang:

"1. De uitreiking geschiedt:

(...)

3°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, aan de griffier van de rechtbank van het arrondissement waar de zaak zal dienen of laatstelijk heeft gediend.

2. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is geschiedt door toezending van de mededeling door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie.

Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken."

3.3. Op grond van het zesde lid van art. 588 (oud) Sv diende naast de verzending door het openbaar ministerie van het afschrift van de dagvaarding aan een verdachte van wie een woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, een betekening van die dagvaarding aan de griffier plaats te vinden. Op de griffier rustte ingevolge het vijfde lid verder de verplichting om zodra alsnog een adres in Nederland bekend werd, het hem uitgereikte stuk daarheen te verzenden.

3.4. De thans geldende regeling voorziet in een geval als het onderhavige niet meer in een uitreiking van de dagvaarding aan de griffier. Ook de wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat, in afwijking van de tekst van de wet, naast de toezending van de dagvaarding door het openbaar ministerie, zodanige uitreiking zou moeten plaatsvinden. Verder is vervallen de ingevolge art. 588, vijfde lid, (oud) Sv op de griffier rustende verplichting om zodra alsnog een adres in Nederland bekend wordt, het gerechtelijk schrijven daarheen te verzenden, welke regel een uitreiking van het stuk aan de griffier veronderstelt.

Uit het voorgaande volgt dat indien een woon- of verblijfplaats van de verdachte in het buitenland bekend is, de betekening van de dagvaarding geschiedt door toezending daarvan door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie. Voor wat betreft de datum waarop die betekening plaatsvindt geldt naar moet worden aangenomen, de datum van verzending van het stuk, waarvan dan ook aantekening dient te geschieden op de akte van uitreiking.

3.5. Een akte van uitreiking, gehecht aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep van de verdachte om te verschijnen op de terechtzitting in hoger beroep van 14 april 2000, houdt in dat die dagvaarding op 22 maart 2000 is uitgereikt aan de Griffier van het Gerechtshof te Arnhem, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Bedoelde akte vermeldt niet dat de dagvaarding op enig adres is aangeboden, terwijl zich bij de stukken geen bericht bevindt dat de dagvaarding naar enig adres is verzonden. Aan deze akte is gehecht een bericht gedateerd 28 maart 2000 van het

Bureau Vestigingsregister te 's-Gravenhage waarin wordt vermeld dat de verdachte aldaar niet bekend is.

De bestreden uitspraak, waarin het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats hier te lande heeft en dat de verdachte woont te [woonplaats], [a-straat 1] etage [...], Bondsrepubliek Duitsland, is bij verstek gewezen.

De stukken van het geding houden niets in waaruit kan volgen dat de dagvaarding in hoger beroep aan genoemd adres in Duitsland is verzonden. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is betekend, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De Hoge Raad zal de dagvaarding in hoger beroep nietig verklaren.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verklaart de dagvaarding in hoger beroep nietig.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.P. Balkema en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 29 januari 2002.