Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD5409

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-02-2002
Datum publicatie
13-02-2002
Zaaknummer
00551/00 B
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD5409
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 575
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 334
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 februari 2002

Strafkamer

nr. 00551/00 B

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 23 augustus 1999, nummer 09/929672-97, op het bezwaarschrift van:

[de veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden beschikking

De Rechtbank heeft de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, inhoudende verhaal op zijn goederen.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Deze heeft een schriftuur ingezonden.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank teneinde opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1. Bij tussenbeschikking van 15 mei 2001 heeft de Hoge Raad de veroordeelde in de gelegenheid gesteld om alsnog binnen een termijn van drie weken na verzending van die tussenbeschikking aan zijn verplichting tot consignatie ingevolge art. 575, derde lid, Sv, te voldoen door overmaking van ƒ 778,68 op bankrekening 19.23.25.796, ten name van D.S.537A Arrondissement Den Haag, onder vermelding van kenmerk 09.926.672.97 en 99/630.

3.2. De tussenbeschikking is op 12 juli 2001 met een begeleidende brief aan de veroordeelde verzonden, zodat de veroordeelde tot en met 2 augustus 2001 de gelegenheid had om aan zijn verplichting tot consignatie te voldoen.

Blijkens een zich bij de stukken bevindende kopie van een rekeningafschrift betreffende de hiervoor vermelde

bankrekening, is voormelde rekening op 13 augustus 2001 met het voormelde bedrag gecrediteerd.

3.3. In aanmerking genomen dat als datum waarop aan de verplichting tot consignatie is voldaan, dient te gelden de datum waarop het betreffende bedrag door de crediteuren is ontvangen, kan de veroordeelde - gelet op hetgeen hiervoor onder 3.2 is weergegeven - niet in zijn beroep worden ontvangen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de veroordeelde niet-ontvankelijk in het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2002.