Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD5379

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-01-2002
Datum publicatie
13-03-2002
Zaaknummer
03500/00 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD5379
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 432, geldigheid: 2002-01-08
Wetboek van Strafvordering 511h, geldigheid: 2002-01-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 339

Uitspraak

8 januari 2002

Strafkamer

nr. 03500/00 P

KD/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 25 februari 1997, nummer 21/000537-95, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 7 februari 1995 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ 48.950,-- gulden, subsidiair 160 dagen hechtenis.

2.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M.B.W.G. Beutener, advocaat te Deventer, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de hoogte van het aan de Staat te betalen bedrag en het aantal dagen vervangende hechtenis, tot verlaging van dit bedrag en het aantal dagen vervangende hechtenis en tot verwerping van het beroep voor het overige.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

3.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 augustus 1996 houdt in dat de betrokkene niet is verschenen. Voorts houdt dit proces-verbaal in dat mr. P.M. Leerink, advocaat te Deventer, als aldaar aanwezige raadsman van de betrokkene heeft verklaard dat de betrokkene "op de hoogte is van de behandeling vandaag en dat hij geen bezwaar heeft tegen behandeling buiten zijn aanwezigheid". Bij tussenarrest van 10 september 1996 heeft het Hof het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst. Het proces-verbaal van de

terechtzitting in hoger beroep van 11 februari 1997 houdt in dat de betrokkene wederom niet is verschenen en dat mr. G.J.P. Molkenboer, advocaat te Deventer, als zijn aldaar aanwezige raadsman toen heeft verklaard:

"Ik ben door cliënt gemachtigd om namens hem het woord te voeren."

3.2. Uit het hiervoor weergegevene moet worden afgeleid dat de betrokkene te voren bekend was met de terechtzitting van 11 februari 1997.

3.3. Volgens art. 511h in verbinding met art. 432, eerste lid aanhef en onder c, Sv had het cassatieberoep dus

uiterlijk op de veertiende dag na de einduitspraak van het Hof op 25 februari 1997 moeten worden ingesteld.

3.4. Blijkens de daarvan door de Griffier van het Hof opgemaakte akte is het cassatieberoep door de betrokkene eerst op 4 april 2000 ingesteld, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 8 januari 2002.