Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD5366

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-01-2002
Datum publicatie
11-01-2002
Zaaknummer
R01/091HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD5366
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 5

Uitspraak

11 januari 2002

Eerste Kamer

Rek.nr. R01/091HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

1. [Verzoekster 1],

2. [Verzoeker 2],

beiden wonende te [woonplaats],

VERZOEKERS tot cassatie,

advocaat: mr. T.H. Tanja-van den Broek,

t e g e n

DE GEMEENTE GRONINGEN, gevestigd te Groningen,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 31 januari 1997 ter griffie van het Kantongerecht te Groningen ingekomen verzoekschrift en een op 31 januari 1997 gedateerd aanvullend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en in een procedure tegen verzoekers tot cassatie - verder afzonderlijk te noemen: [verzoekster 1] en [verzoeker 2] - verzocht:

1. het bedrag dat door [verzoekster 1] aan de Gemeente verschuldigd is, vast te stellen op ƒ 47.510,41 en

2. het bedrag dat door [verzoeker 2] aan de Gemeente verschuldigd is, vast te stellen op ƒ 31.215,36.

[Verzoekster 1] en [verzoeker 2] hebben het verzoek bestreden.

De Kantonrechter heeft bij beschikking van 3 augustus 1999 het verzoek toegewezen en bepaald dat de totaalsom van het terug te vorderen bedrag terstond kan worden ingevorderd.

Tegen deze beschikking hebben [verzoekster 1] en [verzoeker 2] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Groningen.

Bij tussenbeschikking van 14 maart 2000 heeft de Rechtbank [verzoekster 1] en [verzoeker 2] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de Rechtbank bij eindbeschikking van 22 mei 2001 de beschikking van de Kantonrechter van 3 augustus 1999 bekrachtigd.

De beschikkingen van de Rechtbank van 14 maart 2000 en 22 mei 2001 zijn aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen beide beschikkingen van de Rechtbank hebben [verzoekster 1] en [verzoeker 2] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft verzocht het beroep te verwerpen en ten aanzien van onderdeel 8 geconcludeerd tot referte.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking d.d. 22 mei 2001, tot verwijzing van de zaak naar het Hof van het ressort, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

De advocaat van [verzoekster 1] en [verzoeker 2] heeft bij brief van 15 november 2001 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De Gemeente heeft een bijstandsuitkering verstrekt aan [verzoekster 1] naar de norm van een éénoudergezin.

(ii) Naar aanleiding van binnengekomen tips heeft de Gemeente in september 1993 een onderzoek laten instellen naar een mogelijke gemeenschappelijke huishouding van [verzoekster 1] met [verzoeker 2] in het bijstandstijdvak.

(iii) Bij brief van 30 november 1993 heeft de Gemeente [verzoekster 1] in kennis gesteld van het besluit tot terugvordering van de kosten van bijstand over het tijdvak van 27 juli 1991 tot en met 17 september 1993.

(iv) Bij brief van diezelfde datum heeft de Gemeente [verzoeker 2] op grond van art. 59a ABW hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van de kosten van bijstand voor zover deze betrekking hebben op het tijdvak van 1 augustus 1992 tot en met 17 september 1993.

3.2 Tegen het onder 1 vermelde verzoek van de Gemeente hebben [verzoekster 1] en [verzoeker 2] aangevoerd dat in het bijstandstijdvak geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.

De Kantonrechter heeft het verzoek van de Gemeente toegewezen.

Op het hoger beroep van [verzoekster 1] en [verzoeker 2] heeft de Rechtbank hen in haar tussenbeschikking, overeenkomstig hun aanbod, toegelaten te bewijzen dat in de litigieuze periode tussen hen geen sprake is geweest van een samenwoning als bedoeld in de ABW.

In haar eindbeschikking heeft de Rechtbank gedeelten van de verklaringen van de zeven gehoorde getuigen zakelijk weergegeven (rov. 3 - 9). Voorts heeft zij enige overwegingen gewijd aan de in het kader van een onderzoek door de sociale recherche gevoerde gesprekken door de sociale rechercheur H.J.P. van Wijk met [verzoekster 1] op 1 en 22 september 1993 (rov. 10 en 11). In dat verband heeft de Rechtbank tevens geoordeeld dat "[i]n het algemeen van de juistheid van een tegenover een bijzonder opsporingsambtenaar afgelegde en ondertekende verklaring [mag] worden uitgegaan, zodat aan het intrekken daarvan of achteraf ontkennen van het verklaarde ondergeschikte betekenis kan worden toegekend. In dit geval dient", aldus de Rechtbank, "doorslaggevende betekenis te worden toegekend aan de in onderlinge samenhang beschouwde door [verzoekster 1] tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen. (…). Daarnaast hebben de door [verzoekster 1] en [verzoeker 2] als partij-getuige afgelegde verklaringen slechts een beperkte bewijskracht en sluiten de verklaringen van de hiervoor onder 5. tot en met 8. genoemde getuigen een duurzaam samenleven van [verzoekster 1] en [verzoeker 2] niet uit." In rov. 12 is de Rechtbank "[g]elet op hetgeen hiervoor is overwogen, alle feiten en omstandigheden tezamen en in onderling verband in aanmerking nemende, met name de ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en ondertekende verklaringen van [verzoekster 1]", tot de slotsom gekomen dat voldoende is komen vast te staan dat [verzoekster 1] en [verzoeker 2] in de periode van 1 februari 1992 tot 17 september 1993 duurzaam en gezamenlijk een huishouding hebben gevoerd in de zin van de ABW.

De Rechtbank heeft vervolgens de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.

3.3 Onderdeel 1 klaagt dat de Rechtbank door [verzoekster 1] en [verzoeker 2] toe te laten tot bewijslevering de in art. 177 Rv. neergelegde hoofdregel van bewijslastverdeling heeft geschonden, althans haar beslissing op dit punt ontoereikend heeft gemotiveerd.

Het onderdeel faalt. Naar blijkt uit haar eindbeschikking komt de gedachtengang van de Rechtbank op het volgende neer. Zij heeft het oordeel van de Kantonrechter onderschreven dat de Gemeente het bewijs heeft geleverd van haar stelling dat [verzoekster 1] met [verzoeker 2] in de periode van 1 februari 1992 tot 17 september 1993 duurzaam een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd. Zij is tot dit oordeel gekomen op grond van "met name de ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en ondertekende verklaringen van [verzoekster 1]". Zij heeft door [verzoekster 1] en [verzoeker 2] overeenkomstig hun uitdrukkelijk gedane bewijsaanbod toe te laten tot bewijslevering dus niet de bewijslast op hen gelegd, maar hen in feite de gelegenheid gegeven om tegenbewijs te leveren.

3.4 Onderdeel 2 klaagt terecht dat, in het licht van het geen uit de gedingstukken blijkt omtrent het in deze zaak gedane onderzoek, onbegrijpelijk is dat de Rechtbank in de rov. 10, 11 en 12 van haar eindbeschikking ervan is uitgegaan dat de op 1 en 22 september 1993 door [verzoekster 1] afgelegde verklaringen zijn gedaan in het kader van een onderzoek van de sociale recherche en dat deze zijn vastgelegd door een sociaal rechercheur, onderscheidenlijk bijzonder opsporingsambtenaar.

3.5 Onderdeel 3 klaagt terecht dat onbegrijpelijk is dat de Rechtbank in de rov. 11 en 12 van haar eindbeschikking heeft aangenomen dat [verzoekster 1] haar daar genoemde verklaringen heeft ondertekend. Immers, de Gemeente heeft erkend (zie de conclusie na enquête van de Gemeente, volgvel 6) dat die verklaringen niet zijn ondertekend. Reeds uit de omstandigheid dat de Rechtbank, naar blijkt uit de rov. 11 en 12 haar eindbeschikking, bij haar waardering van het bewijsmateriaal groot gewicht heeft gehecht aan de (door haar veronderstelde) ondertekening van die verklaringen, blijkt dat [verzoekster 1] en [verzoeker 2] belang hebben bij voormelde klacht.

3.6 De gegrondbevinding van onderdeel 3 brengt mee dat de onderdelen 4 - 7 geen behandeling behoeven.

3.7 Bij memorie na enquête onder 25 hebben [verzoekster 1] en [verzoeker 2] de Rechtbank subsidiair verzocht om op grond van art. 64 ABW een betalingsregeling vast te stellen. De Rechtbank had niet, naar onderdeel 8 terecht betoogt, gelijk zij gedaan heeft, zonder enige motivering voorbij mogen gaan aan dit verzoek.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep tegen de tussenbeschikking van de Rechtbank te Groningen van 14 maart 2000;

vernietigt de beschikking van die Rechtbank van 22 mei 2001;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en H.A.M Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 11 januari 2002.