Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD5202

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2002
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
03297/00 J
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD5202
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 300, geldigheid: 2002-01-15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 33

Uitspraak

15 januari 2002

Strafkamer

nr. 03297/00 J

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 mei 2000, nummer 22/002683-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1980, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kinderrechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 5 juli 1999 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van "mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft" veroordeeld tot 4 weken jeugddetentie voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat kennelijk niet is gericht tegen de gegeven vrijspraak, is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. M. de Boorder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend gerechtshof ter verdere behandeling van het bestaande hoger beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat het Hof een in hoger beroep gevoerd verweer, dat inhield dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel op ontoereikende gronden heeft verworpen.

3.2. Bij de bestreden uitspraak is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 4 februari 1998 te 's-Gravenhage opzettelijk een been van een persoon genaamd [het slachtoffer] in brand heeft gestoken door een brandende aansteker bij de trainingsbroek/been van [dat slachtoffer] te houden, tengevolge van welke handeling die trainingsbroek vlam vatte, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (brandwonden) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden."

3.3.1. In hoger beroep is namens de verdachte het verweer gevoerd dat de verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld, maar dat sprake was van een ongeluk.

Dienaangaande houden de door de raadsvrouw van de verdachte in hoger beroep overgelegde pleitnotities onder meer het volgende in:

"De jongens gingen altijd stoeiend en dollend met elkaar om. Daarbij hoorde ook het spelletje dat men een vuurtje tegen de broek van een ander hield, totdat die ander uiteindelijk een gil gaf omdat het warm werd, of omdat men wist dat bepaalde broeken, zoals spijkerbroeken, niet branden."

3.3.2. Het Hof heeft dat in het middel bedoelde verweer op pagina 3 van de bestreden uitspraak onder het hoofd

"Bewijsoverweging" als volgt samengevat en verworpen:

"De verdachte en diens raadsvrouwe hebben aangevoerd dat de verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van lichamelijk letsel bij het slachtoffer. De verdachte zou hebben gehandeld uit jeugdige onbezonnenheid en zelf aanmerkelijk levensgevaar hebben opgelopen.

Het hof verwerpt het verweer. De verdachte heeft een brandende aansteker bij de broek van het slachtoffer gehouden waardoor deze vlam vatte. Door aldus te handelen heeft de verdachte zich willens en wetens aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans blootgesteld dat hij het slachtoffer ernstige brandwonden zou toebrengen. De verdachte kan geacht worden inzicht te hebben gehad in de draagwijdte en de mogelijke gevolgen van zijn handelen. Hij was

immers ten tijde van het delict 17 jaar oud en lasser van beroep terwijl ook overigens uit de inhoud van het dossier geen omstandigheden blijken die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. De stelling dat de verdachte zelf aanmerkelijk levensgevaar heeft opgelopen wordt verworpen omdat deze niet feitelijk is onderbouwd en ook niet uit de inhoud van het dossier valt af te leiden."

3.4. Voorzover het middel doelt op het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel faalt het, reeds omdat zodanig opzet niet is bewezenverklaard.

Ook overigens slaagt het middel niet.

Het hiervoor onder 3.3.2 weergegeven oordeel van het Hof moet - behoudens de laatste volzin, waartegen het middel zich niet richt - gelet op de bewezenverklaring en op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, aldus worden verstaan dat de verdachte door een brandende aansteker op enkele centimeters van de trainingsbroek van het slachtoffer te houden, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die broek vlam zou vatten en het slachtoffer daardoor pijn of lichamelijk letsel zou oplopen.

Dat oordeel geeft - mede gelet op hetgeen de algemene ervaring leert omtrent de ontvlambaarheid van kledingstukken zoals trainingsbroeken - geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk is. Dat, zoals in het middel wordt betoogd, de verdachte "uit ervaring wist dat zijn handelen geen kwaad kon", waarbij het middel kennelijk het oog heeft op de hiervoor onder 3.3.1 weergegeven passage uit de pleitnotities, doet aan het vorenoverwogene niet af.

3.5. Het middel faalt dus.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.M.J. van Buchem-Spapens, A.J.A. van Dorst en W.A.M. van Schendel in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 15 januari 2001.