Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD4004

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2002
Datum publicatie
15-02-2002
Zaaknummer
R00/142HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD4004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 90
NJ 2002, 197
RvdW 2002, 39
JWB 2002/65
AA20030184 met annotatie van A.I.M. van Mierlo
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 februari 2002

Eerste Kamer

Rek.nr. R00/142HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker], wonende in [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. R.S. Meijer,

t e g e n

[Verweerder], wonende in [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. D. Rijpma.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 8 september 1999 gedateerd verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - zich gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba en verzocht zijn vordering met inbegrip van rente en kosten te begroten op US$ 20.000.000,-- of de tegenwaarde daarvan in Arubaanse Florines en hem ter verzekering van verhaal van zijn op dat bedrag begrote vordering verlof te verlenen om ten laste van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - conservatoir derden beslag te doen leggen onder First National Bank of Aruba N.V. en de advocaten mrs. R.A. Brown en R.E. Offringa, met uitvoerbaar verklaring van de beschikking op de minuut en alle dagen en uren.

Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft bij beschikking van 10 september 1999 het verzoek afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.

Bij beschikking van 22 augustus 2000 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [verweerder] verlof verleend om ten laste van [verzoeker] conservatoir derdenbeslag te doen leggen onder First National Bank of Aruba N.V. en de advocaten mrs. R.A. Brown en R.E. Offringa, met begroting van de vordering van [verweerder], met inbegrip van rente en kosten, op US$ 18 miljoen of de tegenwaarde daarvan in Arubaanse florins, deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en hetgeen meer of anders is verzocht, afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

[Verweerder] heeft primair verzocht [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep; subsidiair heeft hij met betrekking tot de onderdelen I en II verzocht het beroep te verwerpen en met betrekking tot onderdeel III zich gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn beroep, voor zover dit berust op de onderdelen II en III, en tot verwerping van het beroep, voor zover dit berust op onderdeel I.

De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 6 juli 2001 gereageerd op die conclusie.

De Advocaat-Generaal Strikwerda heeft op 14 december 2001 op verzoek van de Hoge Raad een nadere conclusie genomen.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Verzoeker] en [verweerder] zijn betrokken geweest bij de bouw van het Fishermans Beach Resort (het zogenoemde Beta-project).

(ii) In verband daarmee is tegen hen een strafrechtelijke vervolging ingesteld, onder meer wegens valsheid in geschrift. [verweerder] is door het Gemeenschappelijk Hof buiten vervolging gesteld. [Verzoeker] is door het Gemeenschappelijk Hof te dezer zake (onder meer) tot gevangenisstraf veroordeeld.

(iii) [Verzoeker] en [verweerder] zijn door het land Aruba in een civiele procedure hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade die het land Aruba heeft geleden als gevolg van hun onrechtmatig handelen in verband met het Beta-project. Krachtens een overeenkomst van dading van juli 1995 hebben [verweerder] en twee aan hem gelieerde vennootschappen zich onder meer verplicht aan het land Aruba een bedrag te betalen van US$ 13.400.000,--.

(iv) [Verweerder] stelt dat hij in verband met de laatstgemelde verplichting een vordering heeft op [verzoeker].

3.2 Ter zake van de hiervoor in 3.1 onder (iv) bedoelde vordering heeft [verweerder] aan het Gerecht verzocht om verlof te verlenen tot het leggen van conservatoire derdenbeslagen ten laste van [verzoeker]. Nadat dit verzoek door het Gerecht was afgewezen, heeft het Hof dit verlof in hoger beroep, waarin [verzoeker] verweer heeft gevoerd, alsnog verleend.

3.3.1 Het eerste onderdeel van het middel houdt in dat geen sprake is geweest van een onpartijdig gerecht en/of een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Daartoe wordt aangevoerd dat de President van het Gemeenschappelijk Hof, mr. De Lannoy, ten onrechte in persoon als voorzitter zitting heeft genomen in de raadkamer die de thans bestreden beschikking heeft gegeven, omdat hij eerder ook in persoon als voorzitter betrokken was geweest bij de hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde beslissingen in de strafzaken tegen [verweerder] en [verzoeker]. Het onderdeel betoogt dat mr. De Lannoy zich had moeten verschonen, omdat de beide strafrechtelijke beslissingen reeds zodanig substantiële en inhoudelijke oordelen over de aard en de verwijtbaarheid van de betrokkenheid van de onderhavige partijen bij het Beta-project inhielden dat objectief redelijke twijfel bestaat of de raadkamer - althans haar voorzitter - onbevooroordeeld en ongebonden c.q. onafhankelijk en onpartijdig het verweer van [verzoeker] tegen het door [verweerder] gevraagde beslagverlof heeft kunnen beoordelen. Ook daarbij gaat het immers om de aard en de verwijtbaarheid van voormelde betrokkenheid van partijen bij het Beta-project. Een aanwijzing voor de genoemde twijfel bestaat hierin dat het Hof een essentiële stelling van [verzoeker] buiten beschouwing heeft gelaten. Het Hof heeft bovendien, aldus betoogt het onderdeel ten slotte, zijn voor [verzoeker] negatief uitgevallen beslissing gemotiveerd met een verwijzing naar de strekking c.q. uitkomsten van de beide eerder vermelde strafrechtelijke beslissingen, die echter geen deel uitmaakten van het procesdossier in deze zaak.

3.3.2 Bij de beoordeling van het onderdeel dat de vraag aan de orde stelt of gerechtvaardigde grond voor twijfel aan de objectieve onpartijdigheid van mr. De Lannoy bestaat, geldt als uitgangspunt dat de enkele omstandigheid dat een rechter al eerder bemoeienis heeft gehad met een zaak, onvoldoende is om, objectief gezien, de vrees voor partijdigheid te rechtvaardigen. Bijkomende omstandigheden op grond waarvan deze vrees kan worden aangenomen, zijn in dit geval niet gesteld. De aard van de beslissing in de onderhavige zaak en de vragen die daarin aan de orde werden gesteld, verschillen, anders dan het onderdeel betoogt, zodanig van de beslissingen in de strafzaken dat reeds daarom vrees voor partijdigheid niet objectief gerechtvaardigd kan worden geacht. In het bijzonder behoefde het Hof in dit geding geen eigen oordeel te geven over de aard en de verwijtbaarheid van de betrokkenheid van [verzoeker] bij het Beta-project. De hierop betrekking hebbende klachten falen derhalve. De klacht dat het strafrechtelijk vonnis van 31 december 1996 geen deel uitmaakte van de gedingstukken faalt bij gebrek aan belang op de grond die is vermeld in de nadere conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4. De overige klachten falen omdat zij uitgaan van motiveringseisen die aan een beslissing als de onderhavige niet kunnen worden gesteld.

3.4.1 Met betrekking tot onderdeel II van het middel heeft [verweerder] aangevoerd dat [verzoeker] niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen. Daartoe heeft hij betoogd dat, nu de wettelijke regeling van het conservatoir derdenbeslag verhindert dat degene tegen wie het Gerecht beslagverlof heeft verleend zijn grieven tegen het verlof geldend kan maken door van de desbetreffende beschikking hoger beroep in te stellen, hetzelfde moet gelden voor cassatieberoep van een beschikking waarbij het Gemeenschappelijk Hof dit verlof in hoger beroep heeft verleend.

3.4.2 Dit beroep op niet-ontvankelijkheid faalt. Het in-leidend verzoek van [verweerder] berust op art. 599 Rv. Aruba. Uit het stelsel van de wet vloeit voort dat voor de schuldenaar ten laste van wie het beslagverlof is verleend, in beginsel tegen de desbetreffende beschikking geen hoger beroep openstaat. In art. 602 Rv. Aruba is immers voorzien dat de schuldenaar bij de bevoegde rechter een eis tot opheffing van het beslag kan indienen. De eis tot opheffing van een beslag is echter, mede gelet op de eisen van een behoorlijke rechtspleging, niet een passende voorziening wanneer de schuldenaar ter zake van het verzoek tot het verlenen van het beslagverlof reeds is gehoord en de gelegenheid heeft gehad zijn bezwaren tegen het verlenen van het verlof naar voren te brengen. In een dergelijk geval, waarin sprake is van een in een op tegenspraak gegeven beschikking, is er geen reden om een uitzondering te maken op de hoofdregel van art. 260 in verbinding met art. 270 Rv. Aruba dat van beschikkingen hoger beroep openstaat. Voor de mogelijkheid van cassatieberoep tegen de in hoger beroep gegeven beschikking geldt hetzelfde, zoals het Hof in het onderhavige geval klaarblijkelijk ook heeft geoordeeld. Het Hof heeft zijn beschikking immers uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.5 De klachten van onderdeel II kunnen geen doel treffen omdat zij opkomen tegen oordelen die zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, die niet onbegrijpelijk zijn en die, gelet op de aard van de procedure, ook niet onvoldoende zijn gemotiveerd.

3.6 Onderdeel III keert zich tegen de begroting van de proceskosten aan de zijde van [verweerder]. Het onderdeel heeft met name betrekking op de bepaling van het salaris van diens gemachtigde op een bedrag van Afl. 34.800,-- Voor zover het onderdeel deze vaststelling bestrijdt met een rechtsklacht, faalt het. De begroting van deze kosten aan de hand van het in het onderdeel bedoelde Liquidatietarief, dat als niet-bindende richtlijn geen recht is in de zin van art. 99 (oud) RO, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Voor zover het onderdeel klaagt dat deze vaststelling berust op een misslag en daarom onbegrijpelijk is, treft het doel. Uit de in dit geding vaststaande feiten en de gegevens die in het onderdeel zijn vermeld, valt geen andere conclusie te trekken dan dat het Hof het salaris heeft begroot op basis van een vordering tot betaling van een geldsom van Afl. 2,2 miljoen of meer, terwijl het in dit, naar zijn aard summiere, geding gaat om een beslagverlof.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van 22 augustus 2000 doch uitsluitend voor zover het de daarin opgenomen kostenveroordeling betreft;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar dat Hof;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 238,23 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, A.G. Pos, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 15 februari 2002.