Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AD3688

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-03-2002
Datum publicatie
22-03-2002
Zaaknummer
36623
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD3688
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2002, 21463
Belastingblad 2002/646
BNB 2002/158 met annotatie van G.J. van Leijenhorst
FED 2002/182
FED 2002/229 met annotatie van Redactie
WFR 2002/502, 1
V-N 2002/17.4 met annotatie van Redactie
FutD 2002-0642
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.623

22 maart 2002

JV

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 7 september 2000, nr. BK-99/00588, betreffende na te melden navorderingsaanslagen in de onroerendezaakbelastingen.

1. Navorderingsaanslagen, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1998 wegens het genot krachtens zakelijk recht en wegens het gebruik van de onroerende zaak a-straat 1 te Z, twee op één aanslagbiljet verenigde navorderingsaanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Pijnacker (hierna: de Gemeente) opgelegd naar een heffingsgrondslag van ƒ 665.000, welke navorderingsaanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de directeur van de sector Middelen a.i. (hierna: de Directeur) zijn gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Pijnacker (hierna: B en W) heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 23 juli 2001 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, vernietiging van de uitspraak van de Directeur alsmede vernietiging van "de navorderingsaanslag".

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Belanghebbende exploiteerde in 1998 een tuinbouwbedrijf, waarin in kassen op substraat werd geteeld. Nadat hem aanvankelijk voor dat jaar aanslagen in de onroerendezaakbelastingen 1998 waren opgelegd waarin met betrekking tot de ondergrond van de kassen de zogenoemde cultuurgrondvrijstelling van artikel 220d, lid 1, letter b, van de Gemeentewet was verleend, zijn hem de onderhavige navorderingsaanslagen opgelegd, waarbij die vrijstelling ongedaan is gemaakt. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet wat ervan de oorzaak is geweest dat in het onderhavige geval aanvankelijk wel de vrijstelling is toegepast.

3.2. De eerste twee onderdelen van het middel keren zich tegen de verwerping door het Hof van de beroepen van belanghebbende op onderscheidenlijk het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel. Deze beide onderdelen falen, aangezien het Hof die beroepen terecht heeft verworpen. Naar de Gemeente voor het Hof - in cassatie onbetwist - heeft gesteld, heeft zij bij de heffing van de onroerendezaakbelastingen ten aanzien van de ondergrond van kassen waarin substraatteelt wordt toegepast, na aanvankelijk de cultuurgrondvrijstelling te hebben toegepast, met ingang van het jaar 1998 in die gevallen die vrijstelling niet meer verleend, zulks omdat uit het arrest van de Hoge Raad van 24 september 1997, nr. 31953, BNB 1997/378, was gebleken dat die toepassing in die gevallen onterecht was. Niet valt in te zien dat de Gemeente aldus heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur of het gelijkheidsbeginsel en evenmin dat zij aldus enige bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor haar deze is gegeven. Dit is niet anders in het licht van de door belanghebbende gestelde omstandigheid dat andere gemeenten ook na het arrest BNB 1997/378 de ondergrond van substraatteeltkassen bleven vrijstellen; de handelwijze van die andere gemeenten verplichtte de Gemeente geenszins om dienovereenkomstig te handelen.

3.3. Het middel slaagt echter voorzover dat 's Hofs verwerping van het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel betreft.

Aan het slot van overweging 6.2 van 's Hofs uitspraak wordt 'het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel' verworpen. In het beroepschrift van belanghebbende voor het Hof - hij heeft in het geding voor het Hof geen andere stukken ingediend - is geen beroep op het vertrouwensbeginsel te lezen, zodat het hier kennelijk gaat om een eerst ter zitting gedaan beroep. Nu het Hof evenwel in zijn uitspraak omtrent de inhoud van dat beroep niets heeft vastgesteld, kan in cassatie niet worden getoetst of dat beroep terecht en op grond van een toereikende motivering is verworpen. Aldus is 's Hofs uitspraak op dit punt niet naar de eis der wet met redenen omkleed, zodat zij niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

4. Proceskosten

B en W zullen worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de gemeente Pijnacker aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160 (€ 72,60) vergoedt, en

veroordeelt B en W in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 805 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de gemeente Pijnacker aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, J.W. van den Berge, A.R. Leemreis en C.J.J. van Maanen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2002.