Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2002:AB2996

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
28-06-2002
Zaaknummer
35906
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AB2996
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2001, 936
BNB 2002/303
FED 2002/403
WFR 2002/1022
V-N 2002/33.9

Uitspraak

Nr. 35.906

28 juni 2002

TVW

gewezen op het beroep in cassatie X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 december 1999, nr. 98/03863, betreffende na te melden aanslag in de vermogensbelasting.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de vermogensbelasting opgelegd naar een vermogen van f 908.000, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal Van Kalmthout heeft, na op 28 december 2000 een conclusie te hebben genomen, in een aanvullende conclusie van 13 juni 2001 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie van 28 december 2000 gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het eerste middel betoogt dat het Hof een tweede mondelinge behandeling heeft gehouden zonder belanghebbende daarvan op de voorgeschreven wijze kennis te hebben gegeven. Daarbij doelt het middel op de mondelinge behandeling van 9 september 1999, tijdens welke behandeling het Hof een getuige heeft gehoord.

3.2. In cassatie is niet in geschil dat de Griffier van het Hof de gemachtigde van belanghebbende tijdig en regelmatig een 'Oproep voor het bijwonen van een getuigenverhoor' heeft toegezonden, waarvan de inhoud als volgt luidt:

'Hierbij deel ik u mee dat de tweede meervoudige kamer van het gerechtshof in verband met het bovenvermelde beroep op

donderdag 9 september 1999 te 11.30 uur

een getuigenverhoor zal houden. De zitting zal worden gehouden in het gerechtsgebouw op het adres:

Prinsengracht 436, Paleis van Justitie

Amsterdam

Als getuige is opgeroepen: A

U wordt de gelegenheid geboden daarbij aanwezig te zijn, maar u bent niet verplicht om te komen. Als u komt, verzoek ik u deze oproep mee te brengen.

Partijen kunnen bij het verhoor ter zake dienende vragen tot elkaar en tot de getuige(n) richten.

Indien u zich op de zitting door een gemachtigde laat vertegenwoordigen, dient deze in het bezit te zijn van een behoorlijke, door u ondertekende volmacht.'

3.3. Het middel berust op de opvatting dat, gelet op de inhoud van de hiervoor in 3.2 weergegeven kennisgeving, belanghebbende ervan mocht uitgaan dat het Hof zich ter zitting van 9 september 1999 zou beperken tot het horen van de getuige en het bieden van de gelegenheid aan de verschenen partijen bij het verhoor ter zake dienende vragen tot elkaar en tot de getuige te richten, en klaagt dat het Hof blijkens zijn uitspraak zich daartoe niet heeft beperkt, doch een tweede mondelinge behandeling heeft gehouden, waarbij het de Inspecteur en degene die hem tot bijstand vergezelde, naar blijkt uit 's Hofs overwegingen 4.4 en 4.5, in de gelegenheid heeft gesteld hun standpunt nader te bepalen.

Het middel kan wegens gemis aan belang niet tot cassatie leiden. Blijkens 's Hofs voormelde overwegingen heeft de Inspecteur ter zitting van 9 september 1999 slechts verklaard dat wellicht de naastgelegen woning a-straat 1a ook te laag gewaardeerd is, en heeft degene die de Inspecteur tot bijstand vergezelde alstoen niet meer verklaard dan dat hij niets meer toe te voegen had. Het is volstrekt onaannemelijk dat 's Hofs oordelen door deze verklaringen zijn beïnvloed.

Derhalve kan in het midden blijven of de gemachtigde van belanghebbende, die het beroep van belastingadviseur uitoefent, had moeten onderkennen dat, nu in de hiervoor weergegeven kennisgeving geen sprake was van een ten overstaan van een door het Hof op de voet van artikel 16a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (hierna: de Wet) aangewezen raadsheer-commissaris te houden getuigenverhoor, die kennisgeving niet anders kon worden opgevat dan als een kennisgeving van een tweede mondelinge behandeling, waarbij het Hof zich derhalve niet zou behoeven te beperken tot het horen van de getuige en het bieden van de gelegenheid aan de verschenen partijen bij het verhoor ter zake dienende vragen tot elkaar en tot de getuige te richten. De Wet voorziet immers - afgezien van het getuigenverhoor op de voet van artikel 16a - niet in de mogelijkheid om getuigen anders dan in het kader van een mondelinge behandeling van de zaak te horen.

3.4. Het tweede middel betoogt dat het Hof met betrekking tot bij belanghebbende door de Griffier van het Hof telefonisch en schriftelijk gevraagde en vervolgens op schrift verkregen inlichtingen ten onrechte artikel 14 van de Wet niet heeft nageleefd en van een en ander ten onrechte in zijn uitspraak geen melding heeft gemaakt.

3.5. Tot de door de Griffier van het Hof ter griffie van de Hoge Raad ingezonden stukken behoren een brief van de Griffier aan de gemachtigde van belanghebbende van 7 mei 1999 en een in antwoord daarop geschreven brief van deze gemachtigde van 26 mei 1999. Als bijlage bij laatstvermelde brief is gevoegd een door de Griffier van het Hof aan de gemachtigde van belanghebbende geretourneerde brief van 29 april 1999.

3.6. Deze stukken laten geen andere conclusie toe dan dat de Griffier na de zitting aan (de gemachtigde van) belanghebbende heeft gevraagd of deze het tijdens de zitting van 15 april 1999 gedane aanbod tot het horen van getuigen handhaaft, en zo ja, welke getuigen dan dienen te worden gehoord. Uit deze stukken noch uit 's Hofs uitspraak of de andere stukken van het geding blijkt dat aan belanghebbende tevens de gelegenheid is geboden om in dat stadium van het geding naast de antwoorden op die twee vragen nog andere gegevens of argumenten in te brengen.

3.7. Voorzover het middel berust op de opvatting dat het Hof verplicht was om acht te slaan op desondanks in deze fase van de behandeling van de zaak in het geding gebrachte andere gegevens en nieuwe argumenten, faalt het, omdat die opvatting onjuist is. Het middel kan ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Nu het Hof het verzoek van belanghebbende om (alleen) de getuige A te horen, heeft ingewilligd, heeft belanghebbende immers geen belang bij de klacht dat het Hof in zijn uitspraak geen melding heeft gemaakt van het stellen van de vragen of belanghebbende het aanbod tot het horen van getuigen handhaaft, en zo ja, welke getuigen dan dienen te worden gehoord, en van het antwoord op die vragen van belanghebbende, en evenmin bij de klacht dat ten aanzien van een en ander het bepaalde in artikel 14 van de Wet niet is toegepast.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2002.