Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD3012

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2001
Datum publicatie
28-08-2001
Zaaknummer
1306
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD3012
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 528 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
RvdW 2001, 129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1306

27 juni 2001

JV

in de zaak van

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NS Railinfrabeheer B.V., gevestigd te Utrecht,

eiseres tot cassatie,

incidenteel verweerster,

advocaat: mr. J.G. de Vries Robbé,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heuff Beheer-Spijk B.V., gevestigd te Gorinchem,

verweerster in cassatie,

incidenteel eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. J.P. van den Berg.

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. NS Railinfrabeheer (hierna: NSR) heeft bij exploit van 4 juni 1999 Heuff Beheer-Spijk B.V. (hierna: Heuff) doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht en ten behoeve van de aanleg van een in de dagvaarding nader omschreven gedeelte van de Betuweroute gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten algemene nutte en ten name van NSR van een tweetal in de dagvaarding nader omschreven gedeelten van onroerende zaken met de kadastrale aanduidingen gemeente Gorinchem H 222 en H 298, waarvan Heuff is aangewezen als eigenaar, en de bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling.

1.2. Bij vonnis van 28 juli 1999, ingeschreven in de openbare registers op 24 september 1999, heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor Heuff vastgesteld op f 2.790.000, en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.

1.3. Bij het thans bestreden vonnis van 12 juli 2000 heeft de Rechtbank - voor zover in cassatie van belang - de schadeloosstelling voor Heuff bepaald op f 4.926.582, NSR veroordeeld tot betaling aan Heuff van een bedrag van (na aftrek van het reeds betaalde voorschot van f 2.790.000) f 2.136.582, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 28 juli 1999 tot de dag der voldoening, en bepaald dat NSR de kosten verbonden aan de door het Waterschap van de Linge in verband met de demping te eisen watercompensatie voor een hoeveelheid van ongeveer 5500 m3 voor haar rekening dient te nemen. Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. NSR heeft het vonnis bestreden met vier middelen van cassatie. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. Heuff heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep ten aanzien van de middelen I en II, en tot referte ten aanzien van de middelen III en IV en harerzijds het vonnis in voorwaardelijk incidenteel beroep bestreden met een middel van cassatie. De conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijk incidenteel beroep, is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.3. Nadat NSR in het incidenteel beroep had geconcludeerd tot referte, hebben partijen hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten en vervolgens gerepliceerd en gedupliceerd.

2.4. De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 4 april 2001 geconcludeerd tot vernietiging en verwijzing van de zaak voor feitelijk onderzoek.

2.5. Beide partijen hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Uitgangspunten in cassatie

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Het onteigende maakte deel uit van een terrein waarop Heuff ten tijde van de onteigening voornemens was naast de bestaande bedrijfsactiviteiten een asfaltcentrale te bouwen en te exploiteren. Het bedrijfsterrein grenst aan een met de Linge in verbinding staande waterput. Heuff beschikt over een vergunning die waterput gedeeltelijk te dempen, waardoor de mogelijkheid bestaat de door de onteigening verloren gegane grond te vervangen.

4. Beoordeling van de middelen in het principaal beroep

4.1. De Rechtbank heeft in navolging van de deskundigen geoordeeld dat Heuff door het verlies van een gedeelte van het bedrijfsterrein in de uitoefening van haar bedrijfsactiviteiten, waarbij de Rechtbank met name de plannen voor het oprichten en exploiteren van een asfaltcentrale op het oog heeft, wordt geschaad en dat het het meest in de rede ligt dit verlies aan bedrijfsterrein te compenseren door demping van een gedeelte van de waterput aansluitend aan het overblijvende. De Rechtbank was verder van oordeel dat de deskundigen voldoende onderbouwing hebben gegeven voor hun visie dat in de gegeven omstandigheden ook een redelijk handelende ondernemer eenzelfde keuze voor het dempen van de waterput zou hebben gemaakt. In dat verband heeft de Rechtbank er acht op geslagen dat de deskundigen naast de door partijdeskundigen uitgebrachte rapporten, ook alle andere relevante feiten en omstandigheden van het geval in aanmerking hebben genomen, waarbij de Rechtbank heeft verwezen naar onder meer een aantal in een schriftelijke toelichting van de deskundigen ter terechtzitting vermelde omstandigheden. Naar het oordeel van de Rechtbank hebben de deskundigen, mede op grond van hun ervaring en intuïtie, terecht geoordeeld dat voor een rendabele exploitatie vervangende opslagruimte van 6.865 m2 noodzakelijk is, waarbij ook het ter terechtzitting nader door partijen en deskundigen toegelichte kaartmateriaal in aanmerking is genomen. Gelet hierop waren volgens het oordeel van de Rechtbank de deskundigen niet gehouden nader te onderzoeken of mogelijk andere opties dan de demping van een gedeelte van de waterput méér in de rede lagen, waaraan de Rechtbank nog heeft toegevoegd dat hetgeen NSR terzake heeft aangevoerd daartoe overigens ook onvoldoende aanknopingspunten bood en biedt. Eveneens in navolging van de deskundigen heeft de Rechtbank geoordeeld dat de investering ter zake van het vervangende bedrijfsterrein met een reëel te achten oppervlakte van 6.865 m2 op f 4.206.102 moet worden begroot, en dat een waarde voor de na demping gewonnen grond van afgerond f 1.710.000 reëel is, zodat de voor vergoeding in aanmerking komende onrendabele top dient te worden bepaald op f 2.496.102.

4.2. Volgens het eerste middel heeft de Rechtbank de in deze oordelen vervatte uitgangspunten ten onrechte aldus aangehouden, althans onvoldoende gemotiveerd in het licht van de bezwaren die NSR aan de hand van rapporten van door haar geraadpleegde deskundigen heeft ingebracht.

4.3. In een geval als dit, waar de vraag moet worden beantwoord of het in de rede ligt dat de onteigende vervangend bedrijfsterrein aankoopt of aanlegt met het oog op bestaande plannen voor het uitoefenen van een nieuwe bedrijfsactiviteit, moet in aanmerking worden genomen wat de onteigende als redelijk handelende ondernemer, indien hij, na onteigening van de betrokken grond, de beschikking heeft of krijgt over de middelen die de uitoefening van de nieuwe activiteit mogelijk maken, met betrekking tot de uitoefening daarvan op grond van zakelijke overwegingen zal besluiten. Hoewel daarin ook andere omstandigheden een rol kunnen spelen, kan in deze zakelijke overwegingen de verhouding tussen het bedrag van de voor de aankoop of aanleg van vervangend bedrijfsterrein te verrichten investering en de winst welke daarbij kan worden verwacht niet buiten aanmerking blijven (HR 6 mei 1960, NJ 1960, 426). Tegen deze achtergrond behoefde het bestreden oordeel van de Rechtbank in het licht van de argumenten die NSR - vooral in verband met de omvang van de onrendabele top die uit de keuze van de deskundigen voortvloeit - tegen het deskundigenrapport heeft aangevoerd, nadere motivering. In het bijzonder blijkt niet of de deskundigen en de Rechtbank de hiervoor bedoelde verhouding tussen kosten en rentabiliteit van de door hen gekozen oplossing onder ogen hebben gezien en hebben vergeleken met en afgewogen tegen die verhouding bij andere oplossingen, zoals het afzien van de exploitatie van een asfaltcentrale of exploitatie op andere wijze, wellicht op beperktere schaal, zoals door NSR naar voren gebracht. Waarom de deskundigen niet gehouden waren nader te onderzoeken of andere opties dan demping van een gedeelte van de waterput meer in de rede lagen, zoals de Rechtbank overweegt, is zonder nadere toelichting, die het vonnis niet bevat, niet begrijpelijk. Zoals is uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.22, zijn slechts twee van de in de toelichting van de deskundigen vermelde zeven omstandigheden waarnaar de Rechtbank in dit verband verwijst (zie de conclusie onder 4.17), relevant. Die twee omstandigheden zijn op zichzelf niet voldoende om het oordeel van de Rechtbank te rechtvaardigen, terwijl de niet gespecificeerde verwijzing naar "alle andere relevante feiten en omstandigheden van het geval" geen inzicht geeft in de gedachtegang van de Rechtbank op dit punt.

4.4. Daarbij komt dat de Rechtbank en de deskundigen geen rekening hebben gehouden met de kosten van compensatie van het waterbergend vermogen van de Linge. In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat Heuff bij (gedeeltelijke) demping van de waterput tot die compensatie verplicht is. Zoals hierna bij de bespreking van het derde middel en het incidentele cassatiemiddel aan de orde zal komen, kan niet zonder meer worden aangenomen dat NSR voor compensatie zal zorgen. De kosten ervan vormen een onderdeel van de investering bij de aanleg van vervangend bedrijfsterrein door demping van de waterput en dienen betrokken te worden bij de beantwoording van de vraag of Heuff als redelijk handelende ondernemer voor deze oplossing zou kiezen, zoals hiervóór in 4.3 besproken.

4.5. Het eerste middel is derhalve gegrond.

4.6. Het tweede middel betreft de vergoeding ter zake van bovenwijkse voorzieningen ten bedrage van f 205.960, die volgens de deskundigen, gelet op ter terechtzitting naar voren gebrachte nadere informatie, verschuldigd zal zijn voor het dempen van de waterput, en ten aanzien waarvan de Rechtbank heeft geoordeeld dat is komen vast te staan dat Heuff toch voor deze kosten zal komen te staan. De Rechtbank heeft daarbij overwogen geen aanleiding te zien de deskundigen niet te volgen, mede gelet op de ruime ervaring welke zij op dit terrein hebben.

4.7. Het middel betoogt terecht dat dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is, met name omdat daaruit niet blijkt op welke grond de gemeente Gorinchem ter zake van de demping een exploitatiebijdrage van Heuff zou kunnen vorderen. In het definitieve deskundigenrapport werd nog ervan uitgegaan dat in overeenstemming met bij een ambtenaar van de gemeente Gorinchem ingewonnen informatie, volgens welke naar "met meer dan aan zekerheid grenzende" waarschijnlijkheid geen bovenwijkse kosten voor de demping zouden behoeven te worden voldaan, geen exploitatiebijdrage verschuldigd zou zijn. Het anders luidende advies van de deskundigen ter terechtzitting was gebaseerd op mededelingen van dezelfde ambtenaar en diens plaatsvervanger in tegengestelde zin, maar die mededelingen en het daarop gebaseerde advies van de deskundigen behelsden niets over de grondslag voor het vorderen van een dergelijke bijdrage. Onder die omstandigheden kon de Rechtbank, nu gelet op hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.3 en 5.4 een deugdelijke grondslag voor de - mogelijk - gevorderde bijdrage niet voor de hand ligt, niet ervan uitgaan dat deze wel verschuldigd zou zijn zonder zich zelf een oordeel te vormen over een mogelijke grondslag voor de bijdrage.

4.8. Ook het derde middel slaagt. Nu blijkens de stukken van het geding geen sprake was van een bijkomend aanbod van NSR tot het voor haar rekening nemen van de kosten verbonden aan de door het Waterschap van de Linge in verband met de demping te eisen watercompensatie voor een hoeveelheid van ongeveer 5500 m3, bestond niet de mogelijkheid NSR tot gestanddoening van een desbetreffend bijkomend aanbod te veroordelen en diende de Rechtbank ingevolge artikel 54t van de Onteigeningswet gelezen in samenhang met artikel 37, lid 2, van die wet bij één en hetzelfde vonnis uitspraak te doen over de totale aan Heuff toekomende schadeloosstelling, waarin dan een bedrag wegens de ten laste van Heuff komende kosten verbonden aan de watercompensatie zou moeten worden begrepen.

4.9. Het vierde middel slaagt eveneens. De Rechtbank heeft miskend dat indien in het geval van vervroegde onteigening de vastgestelde schadevergoeding het bedrag van het aan de onteigende verstrekte voorschot overtreft, de onteigende eerst vanaf de overgang van de eigendom door inschrijving van het in artikel 54i van de Onteigeningswet bedoelde vonnis een voor vergoeding in aanmerking komend nadeel lijdt wegens het gemis van het genot van het bedrag waarmee de vastgestelde schadeloosstelling het bedrag van het voorschot overtreft. De Rechtbank heeft dit nadeel dan ook ten onrechte berekend vanaf de datum van dat vonnis en niet vanaf de datum van de inschrijving daarvan in de openbare registers.

4.10. Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

5. Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1. Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat middel III in het principale beroep gegrond wordt gevonden. Deze voorwaarde is blijkens het hiervóór overwogene vervuld.

5.2. Het middel is in zoverre gegrond dat bij gebreke van een bepaling zoals deze blijkens het hiervóór in 4.8 overwogene ten onrechte in het dictum van het bestreden vonnis was opgenomen, de ten laste van Heuff komende kosten verbonden aan de door het Waterschap van de Linge in verband met de demping te eisen watercompensatie voor een hoeveelheid van ongeveer 5500 m3, in de schadeloosstelling hadden moeten worden begrepen. Het vonnis van de Rechtbank zal derhalve ook op het incidentele cassatieberoep moeten worden vernietigd.

6 Beslissing

De Hoge Raad

in het principale en het incidentele beroep:

vernietigt het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 12 juli 2000,

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage,

compenseert de kosten van het geding in cassatie in dier voege dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.G. Pos, D.H. Beukenhorst, L. Monné en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2001.