Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2932

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
00193/00 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2932
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 24d
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 440
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2001

Strafkamer

nr. 00193/00 P

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 november 1999, parketnummer 23/003376-98, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Politierechter in de Arrondisse-mentsrechtbank te Haarlem van 9 januari 1998 - de betrok-kene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van zevenduizendnegenhonderdzesenveertig gulden, subsidiair tachtig dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. M.G. Cantarella, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voor wat betreft de sanctieoplegging voorzover het Hof de vervangende hechtenis heeft gesteld op 80 dagen, dat de Hoge Raad de vervangende hechtenis zal verminderen tot 60 dagen, en het beroep voor het overige zal verwerpen.

3. Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

4.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 november 1999 heeft de Procureur-Generaal aldaar gevorderd dat aan de betrokkene de ver-plichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt opgelegd van een bedrag van tienduizend gulden bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis. De zich bij de stukken bevindende schriftelijke vordering luidt in overeenkomstige zin.

4.2. Het verkorte arrest houdt in dat door de Procureur-Generaal 80 dagen vervangende hechtenis is gevorderd. Die weergave van de vordering berust, gelet op hetgeen hier-voor onder 4.1 is overwogen, op een kennelijke vergis-sing. De Hoge Raad leest in plaats van "80 dagen":

"60 dagen".

4.3. Het Hof heeft de vervangende hechtenis bepaald op 80 dagen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen, moet worden aangenomen dat het bestreden arrest in zoverre voortbouwt op de hiervoor onder 4.2 gesignaleerde misslag en dat het Hof de vervangende hechtenis heeft willen bepalen op het aantal dagen dat door de Procureur-Generaal was gevorderd, te weten 60 dagen.

De Hoge Raad zal daarom de bestreden uitspraak in zoverre verbeteren.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden beslissing, doch uitsluitend voorzover het Hof aan de betrokkene een vervangende hech-tenis voor de duur van 80 dagen heeft opgelegd;

Bepaalt dat de opgelegde verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 3 juli 2001.