Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2923

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2001
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
02278/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2923
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 35
Wetboek van Strafrecht 9
Wetboek van Strafvordering 358
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 mei 2001

Strafkamer

nr. 02278/00

KD/ABG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 15 september 1998, parketnummer 13/600861-96, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Pakistan) op

[geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Amsterdam van 6 januari 1998 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 9, eerste lid van de Wegenver-keerswet" veroordeeld tot twee weken hechtenis voor-waardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een geldboete van tweehonderdvijftig gulden, subsidiair vijf dagen hechtenis.

2.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, dat de Hoge Raad de op te leggen boete zal verminderen en het beroep voor het overige zal verwerpen.

3.Beoordeling van het eerste en het tweede middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. In het middel wordt erover geklaagd dat de Rechtbank in strijd met art. 358, vierde lid, Sv heeft verzuimd art. 9 Sr aan te halen als wettelijk voorschrift waarop de de strafoplegging is gegrond.

4.2. Op grond van art. 358, vierde lid, Sv moeten de

wettelijke voorschriften die de toegepaste verbods- en strafbepalingen inhouden en die de onmiddelijke grondslag der veroordeling uitmaken, in het vonnis worden vermeld. Daartoe behoort niet art. 9, tweede lid, Sr - zoals deze bepaling destijds gold - inhoudende dat in geval van veroordeling tot onder meer hechtenis tevens een geldboete kan worden opgelegd. Daaraan doet niet af dat art. 35, vijfde lid, Wegenverkeerswet destijds bepaalde dat ten aanzien van een overtreding als de onderhavige hechtenis of een geldboete kan worden opgelegd.

4.3. Het middel faalt derhalve.

5. Beoordeling van het vierde middel

5.1. Het middel bevat klachten aangaande de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging of tot strafvermindering dient te leiden.

5.2. In aanmerking genomen dat uit het proces-verbaal

van de terechtzitting in hoger beroep enerzijds blijkt dat de verdachte aldaar is verschenen en werd bijgestaan door een raadsman, en anderzijds niet blijkt dat daar door of namens de verdachte het verweer is gevoerd dat door het tijdsverloop tussen het begaan van het feit op

3 februari 1996, althans het uitbrengen van de inleidende dagvaarding in oktober 1997, en de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep van 15 september 1998 de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, was de Rechtbank niet gehouden te doen blijken dat zij heeft onderzocht of een zodanige overschrijding heeft plaatsgehad en kan daarover niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd. Reeds daarom faalt het middel voorzover het over dit tijdsverloop klaagt.

5.3. De verdachte heeft op 28 september 1998 beroep in

cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 15 juni 2000 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, dus meer dan 20 maanden na het instellen van het cassatieberoep. In aanmerking genomen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dit tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

Het middel is dus in zoverre terecht voorgesteld.

5.4. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van deze termijn behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, moet eerstgenoemd belang prevaleren. De gegrondheid van het middel leidt daarom tot het oordeel dat aan de verdachte een lagere straf behoort te worden opgelegd dan de Rechtbank hem voordat sprake was van overschrijding van die termijn heeft opgelegd. De Hoge Raad zal, rekening houdende met de aan de verdachte opgelegde straf als hiervoor onder 1 is vermeld en met de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, de straf verminderen als hieronder vermeld.

6.Slotsom

De Hoge Raad oordeelt geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, zodat als volgt moet worden beslist.

7.Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;

Vermindert de opgelegde geldboete in die zin dat deze ƒ 225,-- bedraagt;

Vermindert de opgelegde vervangende hechtenis in die zin dat deze vier dagen beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 22 mei 2001.