Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2915

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-11-2001
Datum publicatie
06-02-2002
Zaaknummer
02963/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2915
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2002/44 met annotatie van Koopmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 november 2001

Strafkamer

nr. 02963/00 E

NF/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof, Economische Kamer, te 's-Hertogenbosch van 23 maart 2000, nummer 20/000055/99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Kamer van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 10 april 1998 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1 "medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 19 van de Landbouwwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging", 2 "medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 19 van de Landbouwwet, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging", 6 "opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, terwijl uit dat gebruik enig nadeel kan ontstaan, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging", 7 en 8 telkens opleverende "opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging" veroordeeld, klaarblijkelijk voor wat betreft de bewezenverklaarde misdrijven 1, 6, 7 en 8: tot een geldboete van tweeduizendvijfhonderd gulden, subsidiair vijfendertig dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de tijd van vier maanden, geheel voorwaardelijk alsmede voor wat betreft de onder 2 bewezenverklaarde overtreding: tot een geldboete van vijfduizend gulden.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep - dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraken - is ingesteld door de verdachte.

Namens deze heeft mr. L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de officier van justitie alsnog niet-ontvankelijk verklaart in zijn vervolging van het onder 2 tenlastegelegde en het beroep voor het overige verwerpt.

2.2. Op het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal kan de Hoge Raad geen acht slaan nu dit commentaar niet binnen de bij de wet gestelde termijn is binnengekomen

3.Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging op onjuiste gronden heeft afgewezen, omdat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat eerst van een gedoogregeling sprake kan zijn als er door of namens het openbaar ministerie of door de AID uitspraken hieromtrent zijn gedaan of een gedoogbeleid is bekendgemaakt.

3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt weergegeven en verworpen:

"De raadsman van verdachte heeft verder het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie met betrekking tot het tenlastegelegde feit 1 in zijn strafvervolging niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu er naar zijn mening sprake was van een gedoogregeling, welke gedoogregeling niet op 1 januari 1994 is geëindigd.

Dit verweer vindt zijn grondslag in een schrijven van mevrouw De Cloe van het Ministerie van Landbouw d.d. 15 augustus 1994 aan de officier van justitie en de opstelling en handelwijze van de medewerkers van de RVV.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat van een gedoogbeleid sprake is als er door of namens het openbaar ministerie of organen waarvoor dat openbaar ministerie verantwoordelijk is, verwachtingen zijn gewekt dat bepaalde strafbare feiten niet zullen worden vervolgd.

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een gedoogbeleid, waarop verdachte gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Niet gebleken is dat er door of namens het openbaar ministerie of door de AID uitspraken hieromtrent zijn gedaan, laat staan die waarin een gedoogbeleid werd bekendgemaakt. Zo er al sprake is geweest van enig feite-lijk gedogen in die zin dat werd getolereerd dat

konijnenvlees, dat niet voldeed aan de vereisten van de op 8 juli 1993 in werking getreden Regeling

keuring en handelsverkeer konijne- en hazevlees 1993 alsnog op de markt werd gebracht, is dat door de

medewerkers van de RVV gebeurd. De RVV is echter niet een instantie, waarvoor het openbaar ministerie in het kader van een (voorgenomen) vervolging verantwoordelijkheid draagt. Het hof verwerpt dan ook het verweer."

3.3. De hiervoor onder 3.2 weergegeven overwegingen houden in dat het Hof het niet aannemelijk heeft geacht dat er sprake is geweest van een gedoogbeleid waarop de verdachte gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Door vervolgens te overwegen dat er geen uitspraken door of namens het openbaar ministerie of door de AID zijn gedaan of een gedoogbeleid is bekend gemaakt en daarna veronderstellenderwijs over feitelijk gedogen te spreken, heeft het Hof juist aangegeven dat het de mogelijkheid van feitelijk gedogen buiten de gevallen van uitspraken en bekend gemaakt gedoogbeleid onder ogen heeft gezien. Het middel faalt dus wegens het ontbreken van feitelijke grondslag.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat 's Hofs verwerping

van het beroep niet-ontvankelijkheid van het Openbaar

Ministerie, welk beroep steunde op de vernietiging van het inbeslaggenomen konijnenvlees, onbegrijpelijk is.

Blijkens de bij het middel gegeven toelichting strekt het ten betoge dat verdachtes stelling dat onder 1 van de tenlastelegging ook partijen konijnenvlees zijn begrepen die individueel van een keurmerk waren voorzien en daarmee voldeden aan de voorschriften te dier zake, als gevolg van de vernietiging van de inbeslaggenomen partijen konijnenvlees niet meer met bewijzen kan worden gestaafd.

4.2. Het in het middel bedoelde verweer is door het Hof

als volgt samengevat en verworpen:

"Tenslotte heeft de raadsman de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging bepleit, om de reden dat de inbeslaggenomen partijen konijnenvlees zijn vernietigd en daarmede bewijsmateriaal, waardoor de belangen van de verdachte zijn geschaad.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof verwerpt het verweer. De inbeslaggenomen partijen konijnenvlees zijn weliswaar vernietigd, maar het hof acht niet aannemelijk geworden dat de inbeslaggenomen partijen konijnenvlees na de inbeslagname nog enige waarde hadden ten aanzien van het (ontbreken van) bewijs met betrekking tot de tenlastegelegde feiten, zodat ook hierdoor de straf-

processuele belangen van de verdachte niet zijn geschaad."

4.3. De bij het proces-verbaaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 maart 2000 behorende pleitnota van de raadsman houdt met betrekking tot de vernietiging van de inbeslaggenomen partijen konijnenvlees niet meer of anders in dan:

"Voorts nog een opmerking over de vernietiging van de partijen konijnenvlees.

Steeds heeft [de BV] aangeboden aan de hand van invoer documenten aan te tonen de herkomst.

Tevens heeft [de BV] aangeboden de opslagkosten van het vlees te betalen zodat er een onderzoek kon worden gedaan naar de kwaliteit. Steeds is aangevoerd dat het vlees nog een andere bestemming (derde-landen of de veevoeder industrie) kon krijgen doch hierop is niet ingegaan.

In ieder geval is door Justitie niet voldaan aan de normale weg die men had moeten volgen en is gehandeld in strijd met de Regeling Konijne- Hazevlees 6 juli 1993. Ingevolge artikel 24 van de EEG verordening had in geval van het niet voldoen aan de communautaire

regelgeving overleg dienen plaats te vinden met de bevoegde Inspecteur. Deze inspecteur beslist dan of de goederen mogelijk naar een derde land kunnen worden gezonden (uitdrukkelijk in artikel 24 lid 1a genoemd) of mogelijk andere doeleinden kan krijgen (artikel 24) lid 3). Een en ander brengt mee dat de inbeslagname en vernietiging onrechtmatig is gedaan door de opsporingsambtenaren en dat dit een zodanig ernstige schending is van de belangen van [de BV] dat het openbaar ministerie (ook door het vernietigen van bewijsmateriaal) ook om deze redenen niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4.4. In aanmerking genomen dat de verdediging in het hiervoor onder 4.3 weergegeven verweer niet de stelling heeft betrokkene die, zoals hiervoor onder 4.1 is samengevat, aan het middel ten grondslag is gelegd, is 's Hofs verwerping van het verweer niet onbegrijpelijk.

Voorzover de steller van het middel in de toelichting teruggrijpt op stellingen die de verdediging heeft ingenomen op andere terechtzittingen dan die van 9 maart 2000, miskent hij dat het Hof op die datum het onderzoek opnieuw heeft aangevangen en, behoudens ten aanzien van de getuigenverklaringen waarvan het Hof nadrukkelijk heeft bepaald dat zij worden aangemerkt als op die zitting te zijn afgelegd, het arrest uitsluitend naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 maart 2000 heeft gewezen.

Daarom faalt het middel.

5.Beoordeling van het derde middel

5.1. In het middel wordt erover geklaagd dat het Hof artikel 27, aanhef en onder b van de Regeling keuring en handelsverkeer konijne- en hazevlees 1993, hierna ook aan te duiden als Regeling 1993, onjuist heeft toegepast, aangezien konijnenvlees dat bestemd is voor verkoop in de winkel niet van een keurmerk behoeft te zijn voorzien.

5.2. Het middel ziet klaarblijkelijk op het onder 1 bewezenverklaarde feit, te weten het - kort gezegd - bedrijfsmatig voorhanden en in voorraad hebben van konijnenvlees dat niet was voorzien van merken.

5.3. Voorzover in cassatie van belang heeft het Hof een namens de verdachte gevoerd verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft het verweer gevoerd dat de Regeling keuring en handelsverkeer konijne- en hazevlees 1993 niet van toepassing zou zijn, (...) terwijl de overige partijen genoemd onder 1 bestemd waren voor de winkelverkoop (detailhandel) en als zodanig voldeden aan de geldende bepalingen.

Het hof overweegt als volgt.

(...) Ingevolge artikel 27 aanhef en onder b van de Regeling keuring en handelsverkeer konijne- en

hazevlees 1993 dient alle konijnenvlees ongeacht de bestemming daarvan te zijn voorzien van het daartoe voorgeschreven keurmerk. De door de raadsman aangevoerde uitzondering vindt geen steun in voornoemde regeling, noch in enige andere van kracht zijnde wettelijke bepaling. Het hof verwerpt dan ook dit verweer."

5.4. Het ten tijde van de bewezenverklaring geldende art. 27 Regeling 1993 luidt als volgt:

"Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2 tot en met 8 is het bedrijfsmatig slachten van konijnen of hazen alsmede het bedrijfsmatig voorhanden en in voorraad hebben, te koop aanbieden, afleveren, vervoeren, kopen, vervreemden en uitsnijden van konijnevlees of hazevlees slechts toegestaan indien:

a. voor wat betreft het slachten van konijnen of hazen, alsmede het uitsnijden van het vlees daarvan, dit geschiedt in een op grond van artikel 31 erkend slachthuis respectievelijk erkende uitsnijderij;

b. voor wat betreft het voorhanden en in voorraad hebben, het te koop aanbieden, afleveren, vervoeren, kopen en vervreemden van konijnevlees of hazevlees het vlees is voorzien van:

1. een door of vanwege de officiële dierenarts aangebracht keurmerk overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel g;

2. een merk als bedoeld in hoofdstuk III van bijlage I van richtlijn 91/495/EEG;

3. een merk als bedoeld in hoofdstuk III van bijlage I van richtlijn 91/495/EEG, met dien verstande dat de letters "EEG" worden vervangen door het woord:

GEZIEN, dan wel

4. een merk als bedoeld in artikel 7, onderdeel a; terwijl de opslag van het vlees geschiedt overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel f."

5.5. De onder 5.4 weergegeven bepaling houdt in dat alle konijnenvlees dat, zoals hier is bewezenverklaard, bedrijfsmatig voorhanden en in voorraad wordt gehouden van een van de in die bepaling aangeduide merken dient te zijn voorzien. In het in het middel bedoelde en door het Hof samengevatte verweer, als hiervoor onder 5.3 weergegeven, wordt geduid op het bestaan van een uitzonderingsbepaling. Als zodanig komt in beginsel art. 35, eerste lid, Regeling 1993 in aanmerking. Dit luidde ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging als volgt:

"Ten aanzien van konijnevlees en hazevlees zijn het vijfde lid, eerste alinea, en het zesde en zevende lid van art. 3 van richtlijn 71/118/EEG van overeenkomstige toepassing."

Art. 3 van die Richtlijn 71/118/EEG luidde, voorzover hier van belang luidde indertijd als volgt:

Artikel 3

"1 . Iedere Lid-Staat draagt er zorg voor dat tot het handelsverkeer slechts vers vlees van pluimvee wordt toegelaten dat, onverminderd het bepaalde in de artikelen 11, 15, 15 bis en 16, voldoet aan de volgende voorwaarden:

A. Indien het geslachte dieren of slachtafvallen betreft, moeten deze :

(...)

e) overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk X van bijlage I als geschikt voor het gebruik zijn gemerkt (...);

2. (...)

3. (...)

4. (...)

5. Het bepaalde in lid 1, punt A, is niet van toepassing op vers vlees van pluimvee dat in afzonderlijke gevallen door de producent rechtstreeks en niet via venthandel, door verzending of verkoop op markten, aan de uiteindelijke verbruiker wordt geleverd voor diens eigen gebruik.

(...)."

5.6. Voorzover de verwijzing naar het hiervoor weergegeven vijfde lid van art. 3 van de Richtlijn 71/118/EEG -dat is komen te vervallen door de vaststelling van de Richtlijn 92/116/EEG waaraan de lid-staten uiterlijk op

1 januari 1994 hadden te voldoen- toepasselijk zou zijn en daarin een uitzondering is verwoord met betrekking tot de in art. 27 Regeling 1993 bedoelde merkeis verdient het opmerking dat dit vijfde lid op vers vlees ziet dat door de producent rechtstreeks aan de uiteindelijke verbruiker voor diens eigen gebruik wordt geleverd. De bestreden uitspraak houdt evenwel, mede gelet op de uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkende omvang, plaats van aantreffen en toestand van de partijen konijnenvlees waarvan in de bewezenverklaring sprake is, alsmede gelet op de omstandigheid dat niet is gesteld dat de {...}f B.V. producent was, niet in dat een dergelijke situatie zich hier voordeed. Het Hof heeft dan ook terecht en niet onbegrijpelijk geen uitzonderingssituatie aanwezig geacht.

5.7. Het middel faalt.

5. Beoordeling van het vierde, vijfde, zesde en het zevende middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

7.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De dagvaarding in eerste aanleg is op 3 januari 1997 aan de verdachte betekend. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat gedurende twee jaren daaraan voorafgaand enige daad van vervolging is verricht. De in art. 70, aanhef en onder 1°, Sr bepaalde termijn van verjaring is dus vervuld, zodat het recht tot strafvordering ter zake van de onder 2 tenlastegelegde overtreding is vervallen.

8.Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ook geen andere dan de hiervoor onder 7 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de besteden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

9.Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen wat betreft het onder 2 subssubsidiair tenlastegelegde feit;

Verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ter zake van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.M.M. Orie, in bijzijn van de waarnemend-griffier W.J.V. Spek, en uitgesproken op 13 november 2001.