Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2880

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
26-06-2001
Datum publicatie
19-07-2001
Zaaknummer
03667/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2880
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

26 juni 2001

Strafkamer

nr. 03667/00 W

LR/ABG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 3 oktober 2000, parketnummer CU.2000.116.5, omtrent een verzoek van de Duitse autoriteiten tot overname van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing tegen:

[verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, ten tijde van de van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "De Schie" te Rotterdam.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft verlof verleend tot tenuitvoerleg-ging in Nederland van de beslissing van het Landgericht Duisburg (Duitsland) van 21 mei 1999, waarbij [verzoeker] is veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf.

De Rechtbank heeft aan [verzoeker] ter zake van de bij genoemde beslissing van het Landgericht Duisburg (Duitsland) van 21 mei 1999 bewezenverklaarde feiten, levenslange gevangenisstraf opgelegd.

2.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar de Rechtbank te 's-Gravenhage, opdat de zaak opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Met het middel wordt met rechts- en motiveringsklachten opgekomen tegen de verwerping door de Rechtbank van het verweer dat de Nederlandse exequaturrechter is gebonden aan het in paragraaf 57a van het Duitse Wetboek van Strafrecht voorziene penitentiair maximum.

3.2. De Rechtbank heeft ten aanzien van de strafoplegging - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - als volgt overwogen:

"Ten aanzien van de in Nederland op te leggen straf heeft de raadsman aangevoerd dat een levens-lange gevangenisstraf in Duitsland zich in het onderhavige geval beperkt tot een gevangenisstraf voor de duur van maximaal (effectief) 15 jaar. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij de wettelijke bepalingen van paragraaf 57a van het Duitse Wetboek van Strafrecht overgelegd, alsmede een aan hem gerichte brief van een Duitse collega, bevattende diens interpretatie van die bepalingen.

Wat daar van zij, deze door de raadsman bepleite binding van de Nederlandse exequaturrechter aan het bij paragraaf 57a van het Duitse Wetboek van Strafrecht voorziene penitentiaire maximum - indien deze paragraaf daartoe naar Duits recht al zou leiden - acht de rechtbank niet redelijk.

Die binding zou betekenen dat de Nederlandse rechter bij de strafoplegging gehouden zou zijn, on-geacht de bijzondere ernst van de feiten, een gevangenisstraf op te leggen van maximaal 20 jaar. Een gevangenisstraf van 20 jaar is met inachtneming van de Nederlandse regeling ten aanzien van de vervroegde invrijheidstelling effectief ongeveer 13 jaar en 4 maanden. De door de raadsman voorgestane binding zou een niet bedoeld en niet te rechtvaardigen voordeel voor de veroordeelde betekenen, hetgeen door de rechtbank niet kan worden aanvaard. Hierbij dient bovendien bedacht te worden dat de door de Duitse rechter opgelegde levenslange gevangenisstraf een zogenaamde Gesamtstrafe is voor feiten die - waren zij afzonderlijk berecht - in Duitsland aanleiding hadden gegeven tot het opleggen van gevangenisstraffen van 8 jaar voor feit 1, 9 jaar voor feit 2, levenslang voor feit 3, 5 jaar voor feit 4 en 4 jaar voor feit 5.

Het effect van de door de raadsman voorgestane werking van paragraaf 57a van het Duitse Wetboek van Strafrecht kan in Nederland slechts verkregen worden door het toepassen van gratie".

3.3. Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop. Het onderzoek dat de rechter moet instellen als de veroordeelde het verweer voert dat door de omzetting van de straf de strafrechtelijke positie van hem dreigt te worden verzwaard als bedoeld in art. 11, eerste lid onder d, van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (Trb. 1983, 74) zal niet steeds kunnen resulteren in een met precisie te geven antwoord. De werkelijke duur van de detentie in het buitenland is - alhoewel gebruikelijk ingebed in een systeem van vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling dat veelal in beginsel kenbaar is - dikwijls afhankelijk van omstandigheden en beslissingen die ten tijde van de executieovername nog onbekend zijn. Dat kan ertoe leiden dat de rechter zijn oordeel noodgedwongen moet baseren op de waarschijnlijkheid van de onderscheiden strafrechtelijke positie van de veroordeelde in de staat van veroordeling dan wel de staat van tenuitvoerlegging.

Indien de rechter van oordeel is dat - in navolging van het buitenland - de oplegging van levenslange vrijheidsstraf geboden is, doet zich niet alleen de onzekerheid ten aanzien van de werkelijke duur van de tenuitvoerlegging van die straf in het buitenland voor, maar mist de rechter bovendien het richtsnoer van de art. 15 en 15a Sr bij zijn oordeel omtrent de werkelijk te verwachten strafduur bij de tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf in Nederland. In dat geval dient de rechter met inachtneming van alle bekende - buitenlandse en Nederlandse - omstandigheden, waartoe ook gerekend kunnen worden de wettelijke bepalingen inzake de voorwaardelijke of vervroegde invrijheidstelling en gegevens omtrent de door een instrument als gratieverlening gebruikelijkerwijs bepaalde feitelijke praktijk bij de tenuitvoerlegging van levenslange vrijheidsstraffen, de waarschijnlijkheid te beoordelen dat de strafrechtelijke positie van de betrokkene wordt verzwaard. Bij een te dien aan-zien gevoerd verweer moet de rechter ook blijk geven zodanig onderzoek te hebben ingesteld.

(vgl. HR 9 november 1999, NJ 2000, 334)

3.4. Hetgeen hiervoor onder 3.2 is weergegeven houdt in dat een verweer als hiervoor onder 3.3 bedoeld, is gevoerd. Dat hiervoor onder 3.2 weergegevene houdt echter niet in dat de Rechtbank een onderzoek in de zin als hiervoor onder 3.3 aangeduid naar de waarschijnlijkheid dat de strafrechtelijke positie van de betrokkene wordt verzwaard, heeft ingesteld. Daarom treft het middel inzoverre doel.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor onder 3.4 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 26 juni 2001.