Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2847

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
20-07-2001
Zaaknummer
02924/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2847
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit alcoholonderzoeken 8
Besluit alcoholonderzoeken 9
Wegenverkeerswet 1994 33a
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 163
Wegenverkeerswet 1994 163
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 466
NJ 2001, 554
VR 2001, 183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2001

Strafkamer

nr. 02924/00

AGJ/ABG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 18 april 2000, parketnummer 20/000105-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens de bewijsvoering, de opgelegde straf en de strafmotivering - bevestigd een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Maastricht van 29 juli 1998, waarbij de verdachte tot straf is veroordeeld ter zake van "overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994". Het Hof heeft de verdachte deswege veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een geldboete van vijfhonderd gulden, subsidiair tien dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twaalf maanden.

1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, Sv is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. L.E.M. Hendriks, advocaat te Maastricht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot ver-werping van het beroep. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de weigering om medewerking te verlenen aan een ademonderzoek als bedoeld in art. 163, tweede lid, WVW 1994.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 12 april 1998 in de gemeente Maastricht als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onder-zoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen".

3.3. Voorts heeft het Hof het volgende overwogen:

"Namens verdachte is door de raadsman aangevoerd dat verdachte na zijn aanhouding de bereidheid toonde om mee te werken aan een ademonderzoek te Maastricht. In Maastricht bleek het ademanalyseapparaat na twee blaasproeven defect te zijn. Verdachte kon, aldus de raadsman, niet worden gedwongen om met de politie mee te gaan naar Valkenburg voor het ondergaan van een nieuw ademonderzoek. Deze handelwijze van verdachte, aldus de raadsman, kan niet worden opgevat als een weigering om medewerking te verlenen aan een ademonderzoek als bedoeld in artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof verwerpt dit verweer nu dit standpunt van verdachte geen steun vindt in het recht".

3.4. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat tot de "ten dienste van het onderzoek te geven aanwijzingen" als bedoeld in art. 163, tweede lid, WVW 1994 niet kan behoren de aanwijzing van de politie aan de verdachte om in een dienstvoertuig plaats te nemen teneinde het ademonderzoek uit te voeren in een ander politiebureau (namelijk in Valkenburg aan de Geul) dan waarheen hij na zijn aanhouding was overgebracht (te weten het hoofdbureau van politie in Maastricht).

3.5. Uit de wetsgeschiedenis zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 9 volgt dat in een geval als het onderhavige - waarin het ademanalyse-apparaat in het politiebureau waarheen de verdachte na zijn aanhouding was overgebracht, niet naar behoren functioneerde - gebruik mag worden gemaakt van een apparaat "in de nabije omgeving". Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat de verdachte in een dergelijk geval verplicht is medewerking te verlenen aan alle aanwijzingen ten dienste van het met dit apparaat "in de nabije omgeving" te verrichten onderzoek.

3.6. 's Hofs verwerping van het gevoerde verweer geeft derhalve niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op de ligging van Valkenburg aan de Geul en Maastricht.

3.7. De ter terechtzitting in hoger beroep ingenomen stelling dat de verdachte op het politiebureau te Maastricht een bloedproef heeft aangeboden, noopt niet tot een ander oordeel. Gelet op het hiervoor overwogene moet art. 163, vierde lid, WVW 1994, immers aldus worden verstaan dat in een geval als het onderhavige een bloedonderzoek eerst dan mag plaatsvinden indien de medewerking van de verdachte aan het onderzoek met het ademanalyse-apparaat "in de nabije omgeving" niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek.

3.8. Het middel faalt derhalve.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 juli 2001.