Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2845

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
20-07-2001
Zaaknummer
02875/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2845
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 159a
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 465
NJ 2001, 536
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2001

Strafkamer

nr. 02875/00

SO/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 maart 2000, parketnummer 20/002060-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], (volgens het vonnis van de Rechtbank genaamd: [...]) geboren te [geboorteplaats] (Afganistan) op [geboortedatum] 1976, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Boschpoort" te Breda.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 10 augustus 1999 - de verdachte ter zake van "verkrachting, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt over 's Hofs verwerping van het in hoger beroep gevoerde verweer dat de resultaten van het DNA-onderzoek onrechtmatig zijn verkregen, omdat aan de verdachte het resultaat van het DNA-onderzoek niet is meegedeeld.

3.2. Het Hof heeft het door de raadsman gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft ter terechtzitting namens de verdachte gesteld dat de resultaten van het DNA onderzoek onrechtmatig zijn verkregen en niet tot het bewijs mogen meewerken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de uitslag van de DNA-test niet aan de verdachte is bekend gemaakt en de verdachte niet is meegedeeld dat hij om een contra-expertise kon verzoeken. Bekendmaking van die uitslag aan de raadsman van verdachte is onvoldoende om die tekortkoming te vervangen.

Het hof verwerpt dit verweer. Tijdens de voorgeleiding aan de rechter-commissaris heeft de verdachte ingestemd met celafname ten behoeve van het DNA-onderzoek. De verdachte heeft daarbij bijstand gehad van een raadsman. De uitslag van het DNA-onderzoek is, zo valt uit een aantekening van de griffier van de Rechter-Commissaris op een brief van 10 december 1999, gericht aan de behandelend RC, kennelijk niet conform het bepaalde in artikel 195a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering aan de verdachte, maar wel middels het verstrekken van een afschrift van de uitslag van het onderzoek door het gerechtelijk laboratorium d.d. 9 juni 1999, aan de raadsman van verdachte medegedeeld. De raadsman is er beroepshalve van op de hoogte dat om een contra-expertise kan worden verzocht, doch heeft dat niet gedaan. Ook ter terechtzitting in eerste aanleg en ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging niet om een tegenonderzoek verzocht. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte bevestigd dat hij vrijwillig aan het DNA-onderzoek heeft meegewerkt. Het hof is van oordeel dat onder deze omstandigheden de resultaten van het DNA-onderzoek rechtmatig zijn verkregen en tot bewijs mogen meewerken".

3.3. In de hiervoor onder 3.2 weergegeven overweging ligt besloten dat het Hof heeft vastgesteld dat het verzuim om de verdachte overeenkomstig art. 195a, derde lid, Sv schriftelijk in kennis te stellen van de uitslag van het DNA-onderzoek van het van hem afgenomen celmateriaal kon worden hersteld doordat op door of namens de verdachte ter terechtzitting van het Hof te doen verzoek alsnog een tegenonderzoek had kunnen plaatsvinden doch dat dit verzoek achterwege is gebleven.

Dit oordeel is niet onbegrijpelijk mede in aanmerking genomen dat het Hof kennelijk ook rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte, indien het van hem afgenomen celmateriaal reeds was vernietigd, alsnog het voor een contra-expertise benodigde celmateriaal kon verschaffen. Hieruit volgt dat art. 359a Sv niet van toepassing is, omdat volgens de aanhef van dat artikel het herstel van het verzuim voorop staat.

3.4. Nu ook niet een andere rechtsregel is aan te wijzen op grond waarvan het hiervoor bedoelde, herstelbare verzuim tot gevolg moet hebben dat de resultaten van het DNA-onderzoek niet tot het bewijs mogen meewerken, geeft het oordeel van het Hof dat het bedoelde verweer moet worden verworpen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is toereikend gemotiveerd. Daarom faalt het middel.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 juli 2001.