Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2836

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
20-07-2001
Zaaknummer
02251/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2836
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2001

Strafkamer

nr. 02251/00 A

LR/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 7 december 1999, parketnummer 901/075-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren [te geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum] 1970, wonende te [woonplaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring op Curaçao.

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao van 31 maart 1999 - de verdachte ter zake van 1. "doodslag" en 2. "overtreding van het verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd" veroordeeld tot tien jaren gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1.Het middel bevat de klacht dat art. 394, tweede lid, SvNA is geschonden nu de bestreden uitspraak inhoudt dat deze slechts is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

3.2. Art. 394, tweede lid, SvNA luidt als volgt:

"In het geding in hoger beroep geschiedt de beraadslaging mede naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, zoals dit volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft plaatsgehad".

3.3. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de voorzitter aldaar de korte inhoud heeft medegedeeld van onder meer de stukken betreffende het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

3.4. In aanmerking genomen dat zich bij de stukken bevindt het proces-verbaal van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, moet worden aangenomen dat de beraadslaging in hoger beroep heeft plaatsgevonden op de in art. 394, tweede lid, SvNA voorgeschreven wijze.

3.5. Het middel faalt derhalve.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel bevat de klacht dat de dagvaarding wat betreft het onder 2 tenlastegelegde voorhanden hebben van een (hand)vuurwapen, niet voldoet aan de eisen van art. 285 SvNA, nu de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen inhouden dat de medeverdachte in het bezit was van twee vuurwapens.

4.2. Art. 285 SvNA luidt, voorzover hier van belang:

"1. De dagvaarding bevat een zodanige opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn, dat de verdachte daaruit redelijkerwijze kan begrijpen, ter zake waarvan hij wordt verdacht.

2. Zij behelst tevens de vermelding van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan".

4.3. Het middel faalt, reeds omdat noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch de pleitnota in hoger beroep, die zich bij de stukken bevindt, iets inhoudt waaruit afgeleid zou moeten worden dat door of namens de verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding niet voldoet aan de in art. 285 SvNA gestelde eisen.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 juli 2001.