Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2799

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
12-09-2001
Zaaknummer
03616/00 J
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2799
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Leerplichtwet 1969 26
Wetboek van Strafrecht 771
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 509
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juli 2001

Strafkamer

nr. 03616/00 J

KD/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 26 oktober 2000, parketnummer 10/433648-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Kantonrechter te Rotterdam van

28 september 1999 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 2 van de Leerplichtwet 1969, meermalen gepleegd" niet strafbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het bestreden vonnis zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar de Rechtbank te Rotterdam, opdat deze de zaak met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad alsnog zal afdoen. De conclusie van de Advocaat-Generaal is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans op onjuiste gronden, de verdachte heeft ontslagen van alle rechtsvervolging. Het middel voert daartoe aan dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat in de Leerplichtwet 1969 sprake is van een omissie van de wetgever omdat in die wet is nagelaten de hoogte van de aan de leerplichtige op te leggen geldboete te bepalen en dat het bewezenverklaarde derhalve geen strafbaar feit oplevert.

3.2. Het gaat in deze zaak om een minderjarige verdachte ten aanzien van wie door de Rechtbank is bewezenverklaard dat zij in de periode van 18 september 1998 tot en met 1 december 1998 meermalen niet heeft voldaan aan haar verplichting om, overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969, als leerling van een school waar zij was ingeschreven, die school geregeld te bezoeken, terwijl zij de leeftijd van twaalf jaar had bereikt.

3.3. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het bewezenverklaarde feit oplevert: "Overtreding van artikel 2 van de Leerplichtwet 1969, meermalen gepleegd", maar dat dit feit niet strafbaar is, omdat de hier toepasselijke strafbepaling van art. 26, tweede lid, Leerplichtwet 1969 onvolledig is en derhalve geen wettige strafbepaling in de zin van het Wetboek van Strafrecht. De Rechtbank overwoog daartoe dat art. 26, tweede lid, Leerplichtwet 1969 weliswaar bepaalt dat de leerplichtige gestraft kan worden met een geldboete, maar dat niet is bepaald hoeveel die geldboete maximaal kan bedragen.

3.4. Art. 26, tweede lid, Leerplichtwet 1969, zoals dat luidde ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit, bepaalt:

"De leerplichtige jongere die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, of de partieel leerplichtige jongere, die de verplichting tot geregeld volgen van het onderwijs niet nakomt, wordt gestraft met geldboete".

3.5. Blijkens de wetsgeschiedenis, zoals deze is weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.1 tot en met 3.3, heeft de wetgever bij de herziening van de Leerplichtwet 1969, waarbij werd bepaald dat de leerplichtige jongere zelf strafbaar was in geval van schoolverzuim (Kamerstukken II 1991-1992, 22 900), bij het vaststellen van art. 26, tweede lid, Leerplichtwet 1969 overtreding van de desbetreffende verplichting bedreigd met hechtenis voor de duur van één maand en geldboete van de tweede categorie. Later is die bepaling aldus gewijzigd dat op overtreding "geldboete is gesteld, waarbij werd beoogd dat op de in die bepaling genoemde geldboete van toepassing zou zijn de regeling van de geldboete

zoals die, na de herziening van het strafrecht voor jeugdigen, krachtens art. 77l, eerste lid, Sr voor jeugdigen geldt. Dit artikel bepaalt, voorzover hier van belang, dat het bedrag van de geldboete tenminste vijf gulden is en ten hoogste vijfduizend gulden. In het licht van de wetsgeschiedenis en gelet op de inhoud van art. 77l, eerste lid, Sr, heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat art. 26 Leerplichtwet 1969 door niet afzonderlijk het maximum van de aan de jeugdige op te leggen geldboete vast te stellen geen wettige strafbepaling is in de zin van het Wetboek van Strafrecht zodat het bewezenverklaarde niet strafbaar is. Het middel is dus terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het bestreden vonnis niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt het bestreden vonnis en wijst de zaak

terug naar de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens, B.C. de Savornin Lohman, en E.J. Numann, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 10 juli 2001.