Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2788

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
02825/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2788
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 328
Wetboek van Strafvordering 330
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 464
NJ 2001, 535
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2001

Strafkamer

nr. 02825/00

AGJ/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 mei 2000, parketnummer 15/030452-95, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Na verwijzing van de zaak na vernietiging van een arrest van het Hof Amsterdam door de Hoge Raad bij arrest van 12 januari 1999, heeft het Hof in hoger beroep de verdachte ter zake van 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld. Voor dit misdrijf, alsmede voor 3. "als ambtenaar een gift aannemen, wetende dat zij hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, meermalen gepleegd" heeft het Hof een gevangenisstraf van vier jaren en zes maanden opgelegd.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door verdachte. Namens deze heeft mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan. De conclusie is aan dit arrest gehecht.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof heeft nagela-ten uitdrukkelijk te beslissen op het in de ter terechtzitting van het Hof van 1 mei 2000 overgelegde pleitnota opgenomen verzoek een nadere onderzoekshandeling te verrichten.

3.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 januari 2000 houdt onder meer in:

"De raadsman van verdachte verzoekt het gerechtshof een nadere onderzoekshandeling te doen uitvoeren met betrekking tot het gebruik van de toegangspoorten met de code W-1246VWA en W-1246VWL op 7 juli 1994 op Luchthaven Schiphol. Hij acht deze onder-zoekshandeling temeer van belang daar de getuige [getuige] in zijn verklaring een beschrijving geeft van een persoon die één van de poortjes passeert op on-geveer hetzelfde moment als [getuige] dit doet. Deze persoonsbeschrijving past niet bij de verdachte.

Na schorsing voor beraad en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat het hof het verzoek tot het doen uitvoeren van een nadere onderzoekshandeling afwijst. Het hof neemt zonder meer aan dat die dag andere mensen dan verdachte van de twee poortjes gebruik hebben gemaakt. Er bestaat geen noodzaak tot kennisneming van de door de raads-man gevraagde gegevens met het oog op enige in deze zaak te nemen beslissing".

3.2.2. De ter terechtzitting van het Hof van 1 mei 2000 - alwaar het Hof in dezelfde samenstelling zitting hield als op 17 januari 2000 - overgelegde pleitnota van de raadsman van de verdachte houdt - voorzover van belang - het volgende in:

"Op 7 juli 1994 wordt door verdachte [medeverdachte] een hoeveelheid cocaïne ingevoerd in Nederland. (..) De betrokkenheid bij cliënt zou zijn gebleken door diens hulp bij het verschaffen van een uitweg aan verdachte [getuige] die de koffer met verdovende middelen op Schiphol van [medeverdachte] heeft overgenomen.

(..)

De contactpersoon van [getuige] met de naam [opdrachtgever]] had [getuige] de ochtend van de 7e juli 1994 nog gezegd dat [getuige] pas op een bepaald tijdstip via de poortjes naar buiten moest gaan:

"Bij mijn ontmoeting met [opdrachtgever] op het station voor mijn vertrek naar Schiphol heeft hij mij verteld dat ik pas rond de 13.30 uur via de door mij eerder ge-noemde poortjes naar buiten moest gaan."

In de bewijsmiddelen gebezigd door het Gerechtshof te Amsterdam onder 6. is een kopie van een computeruitdraai opgenomen betreffende een overzicht van historische gegevens opgevraagd op 7 maart 1995 van het gebruik van de toegangspas op naam van [verdachte] op 7 juli 1994.

Hieruit zou volgen dat het betreffende poortje met als kenmerk W-1246 op 7 juli 1994 driemaal is geo-pend met de toegangspas van [verdachte].

Ik maak thans nogmaals uitdrukkelijk bezwaar tegen deze wijze van rechercheren. Een en ander is strijdig met de onschuldpresumptie, immers in dit kader had onderzoek dienen plaats te vinden naar het gebruik op 7 juli 1994 van de poortjes met voornoemde code. Een en ander klemt temeer nu verdachte [getuige] in zijn verklaring een beschrijving geeft van een persoon wiens signalement niet overeenkomt met dat van cliënt. Bovendien verklaart [getuige] dat zijn opdrachtgever [opdrachtgever] hem had gezegd om op het tijdstip van 13.30 uur door de toegangspoortjes te gaan. Het pasgebruik van de toegangspas van [verdachte] is gesteld op 11.54 uur en op 13.57 uur.

(..)

Indien uw hof onder de (de Hoge Raad leest: door) mij geschetste omstandigheden genoemde computeruitdraai betreffende de gebruiksgegevens van de toegangspas van [verdachte] op 7 juli 1994 wil bezigen als een bewijsmiddel persisteer ik in het belang van de verdediging van [verdachte] uitdrukkelijk bij het ver-zoek om deze nadere onderzoekshandeling".

3.2.3. Het Hof heeft de in de pleitnota genoemde computeruitdraai als bewijsmiddel 6 tot het bewijs gebezigd. Daarmee is de door de raadsman genoemde voorwaarde vervuld. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 1 mei 2000 noch het arrest van het Hof houden een beslissing van het Hof over het door de raadsman gedane verzoek in.

3.3. In aanmerking genomen dat

a) het Hof het ter terechtzitting van 17 januari 2000 gedane verzoek tot het verrichten van onderzoekshandelingen met toepassing van de juiste maatstaf gemotiveerd heeft afgewezen,

b) de raadsman ter terechtzitting van 1 mei 2000 heeft gepersisteerd bij bedoeld verzoek zonder dat hij is ingegaan op de door het Hof aan diens beslissing gegeven

motivering en zonder dat ter ondersteuning van het standpunt van de raadsman een beroep is gedaan op nieuwe feiten en omstandigheden en

c) 's Hofs tussenbeslissing, waarop de bestreden uitspraak mede steunt, ook in cassatie niet wordt bestreden, heeft de verdachte geen in rechte te respecteren belang bij de klacht dat in de einduitspraak van het Hof een uitdrukkelijke beslissing ontbreekt omtrent een verzoek dat, ook voor wat de gronden betreft, louter een herhaling behelst van het ter terechtzitting op 17 januari 2000 afgewezen verzoek.

3.4. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

4.2. Het middel kan niet tot cassatie leiden op de gron-den vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal

onder 13 en 14.

5. Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, A.M.M. Orie, J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 3 juli 2001.