Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2785

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2001
Datum publicatie
27-08-2001
Zaaknummer
02763/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2785
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 243
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2001, 528
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2001

Strafkamer

nr. 02763/00

MA/IK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van

14 februari 2000, nummer 23/002243-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 22 april 1998 - de verdachte ter zake van primair "verkrachting" veroordeeld tot vierentwintig maanden gevangenisstraf.

1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste en het tweede middel

3.1. Het eerste en tweede middel bevatten de klacht dat het Hof ten onrechte de ter terechtzitting in hoger beroep gedane vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging heeft toegewezen.

3.2. De inleidende dagvaarding bevat een primaire en een subsidiaire tenlastelegging. De eerste in de middelen bedoelde vordering strekt ertoe dat hieraan een meer subsidiaire en meest subsidiaire tenlastelegging wordt toegevoegd. De tweede vordering strekt tot aanvulling van de meer subsidiaire en meest subsidiaire tenlastelegging.

3.3. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld op de grondslag van de primaire tenlastelegging. Het Hof is dus niet toegekomen aan enige beslissing ter zake van het subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde.

3.4. Uit het vorenstaande volgt dat de verdachte geen belang heeft bij een beoordeling van de toewijzing door het Hof van genoemde vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging. Reeds daarom falen de middelen.

4. Beoordeling van het derde middel

4.1. Naar de Hoge Raad begrijpt, beoogt het middel onder meer te betogen dat het oorzakelijk verband tussen enerzijds het bewezenverklaarde geweld en/of andere feitelijkheid en anderzijds het bewezenverklaarde seksueel binnendringen niet kan volgen uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen.

4.2. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat slechts sprake kan zijn van door geweld en/of een andere feitelijkheid dwingen tot het ondergaan van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer als bedoeld in art. 242 Sr, indien de verdachte door dat geweld en/of die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn wil heeft ondergaan (vgl. onder meer HR 29 november 1994, NJ 1995, 201, HR 24 maart 1998, NJ 1998, 534 en HR 16 november 1999,

NJ 2000, 125).

4.3. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de maand februari 1994 te [plaats] door geweld en/of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die hebben bestaan uit of mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft verdachte [het slachtoffer] met een wurggreep om de nek vastgepakt en met geweld pillen in haar mond gebracht en met geweld een hand op de mond van [het slachtoffer] gedrukt teneinde haar te dwingen die pillen door te slikken en [het slachtoffer] op bed gegooid en [het slachtoffer] uitgekleed en [het slachtoffer] bij het lichaam vastgehouden en zijn penis gebracht in de vagina van [het slachtoffer]".

4.4. De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden onder meer in:

(i) dat het slachtoffer de verdachte tussen 17.00 en 17.30 uur heeft ontmoet en met hem is meegegaan;

(ii) dat de verdachte na aankomst in de woning het slachtoffer van achteren in een wurggreep om de nek heeft vastgepakt;

(iii) dat de verdachte met zijn andere hand met geweld 10 of 12 slaappillen in de mond van het slachtoffer heeft geduwd en daarna haar mond en neus heeft dichtgedrukt waardoor zij gedwongen was de pillen door te slikken, waarna hij haar op een bed heeft gegooid;

(iv) dat het slachtoffer vervolgens buiten kennis is geraakt;

(v) dat het slachtoffer later is bijgekomen en toen bemerkte dat zij geheel naakt was en dat de verdachte tegen haar wil zijn penis, althans ten dele, in haar vagina heeft gebracht waartegen zij zich niet kon verweren omdat zij niet in staat was zich te bewegen;

(vi) dat het slachtoffer vervolgens weer buiten bewustzijn is geraakt en pas bij kennis is gekomen in de loop van de ochtend.

4.5. Hieruit heeft het Hof kennelijk afgeleid dat de verdachte door het bewezenverklaarde geweld en/of de bewezenverklaarde andere feitelijkheid het slachtoffer heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam, in die zin dat hij daardoor opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats.

4.6. De kennelijk aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat in een geval als onderhavige waarin het slachtoffer verkeert in een staat van bewusteloosheid of lichamelijke onmacht als bedoeld in art. 243 Sr die door de dader met geweld is veroorzaakt, een veroordeling ter zake van verkrachting als bedoeld in art. 242 Sr niet mogelijk is, is onjuist.

4.7. In zoverre faalt het middel. Ook de overige in het middel vervatte klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling van het vierde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt, waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

7. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 juni 2001.