Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2782

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2001
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
02497/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2782
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2001, 519
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 juni 2001

Strafkamer

nr. 02497/00

KD/IK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van

8 december 1998, parketnummer 01/102769-95, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 8 november 1995 - de verdachte ter zake van "zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevinden" veroordeeld tot een geldboete van vijfenzeventig gulden, subsidiair één dag hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat de zaak zowel in zijn totaliteit als in zijn onderdelen te lang heeft geduurd, hetgeen tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging moet leiden.

3.2. Voorzover het middel de klacht bevat dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in eerste en tweede aanleg is overschreden, geldt het volgende.

In aanmerking genomen dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep enerzijds blijkt dat de verdachte aldaar is verschenen en werd bijgestaan door een raadsman, en anderzijds niet blijkt dat daar door of namens de verdachte het verweer is gevoerd dat door het tijdsverloop van de zaak zowel in zijn geheel als in zijn onderdelen de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM tot dan toe was overschreden, was de Rechtbank niet gehouden te doen blijken dat zij heeft onderzocht of een zodanige overschrijding heeft plaatsgehad en kan daarover niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd. In zoverre faalt het middel.

3.3. Voorzover het middel de klacht bevat dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, geldt het volgende.

De verdachte heeft op 9 december 1998 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 6 juli 2000 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen.

In aanmerking genomen dat tussen het tijdstip waarop het cassatieberoep is ingesteld en dat waarop de stukken van het geding ter griffie van de Hoge Raad zijn ontvangen bijna 19 maanden zijn verstreken, terwijl niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die dit tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan 2 jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep.

In zoverre is het middel dus terecht voorgesteld.

3.4. Bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van voorgenoemde termijn behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, moet, ook indien het totale procesverloop in aanmerking wordt genomen, eerstgenoemd belang prevaleren. De gegrondheid van het middel leidt daarom tot het oordeel dat aan de verdachte een lagere straf behoort te worden opgelegd dan de Rechtbank haar voordat sprake was van overschrijding van die termijn heeft opgelegd. De Hoge Raad zal, rekening houdende met de aan de verdachte opgelegde straf als hiervoor onder 1 is vermeld en met de

mate waarin de redelijke termijn is overschreden, de straf verminderen als hieronder vermeld.

4. Beoordeling van het tweede en derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven voor wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete.

De Hoge Raad oordeelt geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd.

6. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete;

Vermindert deze in die zin dat de opgelegde geld-

boete ƒ 65,00 beloopt;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 12 juni 2001.