Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2751

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
00146/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2751
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 51b
Wetboek van Strafvordering 51b
Wetboek van Strafvordering 421
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 juni 2001

Strafkamer

nr. 00146/00

ABG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 december 1999, rolnummer 22/001854-98, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatumt] 1970, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 4 maart 1998 - de verdachte ter zake van "mishandeling" veroordeeld tot één week gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld.

1.2. De bestreden uitspraak is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam, een schriftuur houdende twee middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen en ambtshalve het arrest van het Gerechtshof zal vernietigen voorzover het Gerechtshof de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen en de benadeelde partij alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel richt zich tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van een maatregel als bedoeld in art. 36f Sr, waarbij telkens de totale schade is begroot op f.8382,-.

4.2. De stukken van het geding houden voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij het volgende in:

(i) de benadeelde partij heeft zich op de wijze als voorzien in art.51b, eerste lid, Sv gevoegd in het strafproces voor een bedrag van in totaal f.8382,-;

(ii) blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter van 4 maart 1998 heeft de benadeelde partij mondeling opgave gedaan van de vordering en de gronden waarop deze berust. Nadat de raadsman van de verdachte de vordering ten dele had bestreden, heeft de benadeelde partij aldaar ook nog verklaard "dat hij thans zelf geen vordering indient, doch de officier van justitie verzoekt dat voor hem te doen";

(iii) de Politierechter heeft geen beslissing gegeven omtrent de vordering van de benadeelde partij;

(iv) nadat de verdachte hoger beroep had ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter is de benadeelde partij in kennis gesteld van de datum van de terechtzitting van het Hof en is hij aldaar in die hoedanigheid op de

terechtzitting van 8 maart 1999 verschenen;

(v) op de terechtzitting van het Hof van 25 november 1999 heeft de benadeelde partij zijn vordering nader toegelicht en een copie-begroting (van de tandarts) overgelegd;

(vi) bij de bestreden uitspraak heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van f.8382,- en tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd tot dat bedrag.

4.3. In 's Hofs beslissing ligt besloten dat, nadat de benadeelde partij zich op regelmatige wijze had gevoegd in het strafproces in eerste aanleg, van een uitdrukkelijke intrekking van die vordering ter terechtzitting in eerste aanleg geen sprake is geweest, zodat de benadeelde partij zich - nu de Politierechter de vordering niet had toegewezen - op de voet van art. 421, derde lid, in verbinding met art. 51b, tweede lid, Sv, binnen de grenzen van zijn eerste vordering ter terechtzitting in hoger beroep als zodanig kon voegen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de gedingstukken niet onbegrijpelijk. De vordering van de benadeelde partij was dus ook in hoger beroep aan de

orde.

4.4. Het Hof heeft ten aanzien van de omvang van de schade overwogen als is weergegeven onder het hoofd "Vordering tot schadevergoeding".

4.5. Aldus heeft het Hof zijn beslissing voor wat betreft de omvang van de schade naar behoren gemotiveerd, in aanmerking genomen hetgeen het Hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen omtrent het letsel van het slachtoffer heeft vastgesteld en de omstandigheid dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 25 november 1999 de gespecificeerde vordering zonder enige nadere motivering door de verdachte is betwist.

4.6. Het tweede middel faalt dus.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 19 juni 2001.