Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2733

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2001
Datum publicatie
30-08-2001
Zaaknummer
03651/00 U
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2733
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Uitleveringswet 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 352
NJ 2001, 467
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 mei 2001

Strafkamer

nr. 03651/00 U

LR/IK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 15 september 2000, parketnummer RU 00/9641, op een verzoek van de Republiek Frankrijk tot uitlevering van:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum] 1964, zonder bekende woonplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring "De Noordsingel" te Rotterdam.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van Arabat aan de Republiek Frankrijk toelaatbaar verklaard ter strafvervolging van [verdachte] ter zake van de feiten, omschreven in het bevel tot aanhouding van Christine Moreau, Juge d'Instruction van 15 februari 2000, nummer 98008952C.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. J. Sjöcrona, advocaat te

's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De waarnemend Advocaat-Generaal Keijzer heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad (a) de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend voorzover daarbij is verzuimd de feiten waarvoor de verzochte uitlevering kan worden toegestaan naar behoren te vermelden, (b) doende wat de Rechtbank had behoren te doen, die feiten zal vermelden door niet slechts te verwijzen naar het door de verzoekende staat overgelegde mandat d'arrêt maar tevens naar het overgelegde exposé des faits, en (c) voor het overige het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat onder meer de klacht dat de Rechtbank heeft verzuimd "met een voldoende graad van duidelijkheid" de feiten te vermelden waarvoor zij de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard.

3.2. De Rechtbank heeft de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, vermeld door te verwijzen naar de omschrijving daarvan in een tegen de opgeëiste persoon uitgevaardigd mandat d'arrêt van Christine Moreau, Juge d'Instruction d.d. 15 februari 2000 nr. 98008952C.

Dit mandat d'arrêt omschrijft de feiten als volgt:

"Direction ou organisation d'un groupement ayant pour objet la production, la fabrication, l'importation, l'exportation, le transport, la détention, l'offre, la cession, l'acquisition et l'exportation de stupéfiants en bande organisée.

Faits commis au Pays Bas et sur le territoire de la République Française depuis courant 1997 (héroïne, et cocaïne). (...)

Supplétif du 18 octobre 1999:

Direction ou organisation d'un groupement ayant pour objet la production, la fabrication, l'importation, l'exportation, le transport, la détention, l'offre ou la cession, l'acquisition et l'emploi illicite de stupéfiants depuis le 26 avril 1999.

Exportation illicite de stupéfiants commise en bande organisée depuis 1997.

Offre, cession, détention de produits stupéfiants depuis 1997.

(...)".

3.3. Het middel klaagt er terecht over dat de feiten in dit mandat d'arrêt hoofdzakelijk in kwalificatieve termen zijn vervat, zodat de bestreden uitspraak in strijd met art. 28, derde lid, UW niet een genoegzame vermelding inhoudt van de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan.

3.4. De Hoge Raad zal dit verzuim herstellen door de uitlevering toelaatbaar te verklaren voor de feiten die zijn omschreven in het door de verzoekende Staat bij het uitleveringsverzoek overgelegde en zich bij de stukken bevindende exposé des faits van de Procureur de la République bij het Tribunal de Grande Instance te Chalons-en-Champagne van 6 juli 2000.

3.5. Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Slotsom

Nu het middel, afgezien van het onder 3.3 overwogene, niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend voorzover daarin de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, zijn aangeduid op de wijze als hiervoor onder 3.2 vermeld;

Verklaart de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar ter zake van de feiten, zoals omschreven in het onder 3.4 vermelde exposé des faits;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 22 mei 2001.