Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2673

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2001
Datum publicatie
30-08-2001
Zaaknummer
02956/00 P
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2673
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36e
Wetboek van Strafvordering 437
Wetboek van Strafvordering 511i
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 mei 2001

Strafkamer

nr. 02956/00 P

NF/IK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie

tegen een arrest van het

Gerechtshof te 's-Gravenhage van 10 december 1999, parketnummer 22/005048-99, op een vordering tot ontneming van wederechtelijk verkregen voordeel ten laste van:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden einduitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van

12 oktober 1998, waarbij de betrokkene de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van vierenveertigduizend gulden, subsidiair éénhonderdnegenzestig dagen hechtenis.

2.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3.Beoordeling van het middel

Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De schriftuur, die gericht is op vernietiging van de bestreden uitspraak voor het geval dat de cassatiemiddelen in de hoofdzaak gegrond zouden worden bevonden en in zoverre voorbijziet aan art. 511i Sv, (vgl. HR 14 april 1998, NJ 1999, 75), voldoet niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moet blijven.

4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad oordeelt geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, zodat het beroep moet worden verworpen.

5.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 8 mei 2001.