Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD2667

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2001
Datum publicatie
23-08-2001
Zaaknummer
02854/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2667
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 348
Wetboek van Strafvordering 366
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 351
NJ 2001, 440
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 mei 2001

Strafkamer

nr. 02854/00

ACH/IK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatietegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 4 april 1995,

parketnummer(s) 21/001711-94, alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962,

ten tijde van de bestreden uitspraak wonende te Arnhem.

1. De bestreden einduitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 19 mei 1994 - de verdachte ter zake van (voor wat betreft de periode

1 januari 1991 t/m 31 augustus 1992) "in strijd met de waarheid enig gegeven verzwijgen met het oogmerk om aldus voor zichzelf bijstand of hogere bijstand te verkrijgen dan wel te behouden; meermalen gepleegd" en (voor wat betreft de periode 1 september 1992 t/m 31 mei 1993) "in strijd met de waarheid enig gegeven verzwijgen met het oogmerk om aldus voor zichzelf bijstand of hogere bijstand te verkrijgen dan wel te behouden; meermalen gepleegd" veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de vervolging.

3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

3.1. De stukken van het geding houden het volgende in:

(i) de verdachte is bij arrest van het Hof van 4 april 1995 bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken; de dagvaarding van de verdachte om op de terechtzitting van het Hof te verschijnen was niet aan de verdachte in persoon betekend;

(ii) de verdachte heeft op 25 mei 2000 tegen het arrest van het Hof beroep in cassatie ingesteld.

3.2. De stukken van het geding behelzen niets waaruit kan volgen dat tussen 4 april 1995 en 25 mei 2000 is getracht de verstekmededeling aan de verdachte te betekenen dan wel de verdachte te doen opnemen in het opsporingsregister. De in die periode van ruim vijf jaren opgetreden vertraging dient daarom voor rekening van het Openbaar Ministerie te komen. Dat leidt tot het oordeel dat in die fase van het geding de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden. De mate van overschrijving is zodanig dat bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art.6, eerste lid, EVRM behoudt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang dat de verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreven, in dit geval laatstgenoemd belang moet prevaleren.

3.3. Het onder 3.2 overwogene leidt ertoe dat de Officier van Justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en beslist moet worden als volgt.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 22 mei 2001.