Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD1856

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
03070/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD1856
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 467
NJ 2001, 537
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2001

Strafkamer

nr. 03070/00

ACH/IK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 december 1999, parketnummer 20/000748-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de gebezigde bewijsmiddelen de kwalificatie van de feiten 2., 3. en 4., de overwegingen omtrent de strafbaarheid van verdachte en de strafoplegging - bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 9 december 1998.

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als sub 2., 3. en 4. telkens opleverende "medeplegen van andere dan de in artikelen 217 en 218 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde merken, die krachtens wettelijke voorschriften op goederen moeten worden geplaatst, daarop valselijk plaatsen, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalst waren" en de verdachte veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. V.A.P.M. Malherbe, advocaat te Roermond, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof het beroep op psychische overmacht ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar door en namens de verdachte aangevoerd hetgeen in de toelichting op het middel is weergegeven.

3.3. Het Hof heeft dat verweer aldus verworpen:

"Naar het oordeel van het Hof is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van psychische dwang waar verdachte redelijker-wijs geen weerstand aan kon bieden".

3.4. Die overweging moet aldus worden verstaan dat het Hof daarin tot uitdrukking heeft gebracht - zij het in minder gelukkige bewoordingen - dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting de aan het verweer ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, alwaar de getuige [getuige] is gehoord, en gelet op hetgeen het Hof op basis van dat onderzoek blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft vastgesteld omtrent de wijze van samenwerking tussen de verdachte en zijn mededaders gedurende de bewezenverklaarde periode, waarbij de verdachte meermalen het initiatief heeft genomen.

3.5. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 3 juli 2001.