Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZD1852

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
22-10-2001
Zaaknummer
02177/00
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD1852
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juli 2001

Strafkamer

nr. 02177/00 E

ACH/ABG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer van 31 januari 2000, parketnummer 21/000744-99, in de strafzaak tegen:

[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 22 februari 1999 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 30 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, begaan door een rechtspersoon; tweemaal gepleegd" veroordeeld tot twee geldboetes van elk éénduizend gulden.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.J.J.E. Stassen, advocaat te Tilburg, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel klaagt er over dat het Hof veronachtzaamd heeft dat de wettelijke regelingen waarop de veroordeling berust onverbindend zijn wegens strijdigheid met de als uitputtend te beschouwen Richtlijnen 80/217/EEG en 92/119/EEG.

3.2. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak een in hoger beroep gevoerd verweer, dat correspondeert met de in het middel opgeworpen stellingen, als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof gelijkluidende verweren gevoerd als in eerste aanleg, met verwijzing naar zijn destijds overlegde pleitnotities. De raadsman heeft betoogd dat de Regeling compartimentering varkens en vervoermiddelen voor varkens onverbindend is. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de Richtlijnen als bedoeld in zijn pleitnotities (te weten Richtlijn 80/217/EEG en Richtlijn 92/119/EEG) uitputtend zijn bedoeld. De raadsman is van mening dat dit mede blijkt uit de Toelichting op de Regeling aanwijzing besmettelijke dierziekten, waarin staat:

De aanwijzing van de dierziekten maakt het tevens mogelijk om nationaal te bepalen welke bestrijdingsmaatregelen bij uitbraak van deze dierziekten toegepast moeten worden. Het aanwijzen van een dierziekte heeft immers tot gevolg dat de in hoofdstuk II, afdeling 3 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren genoemde bestrijdingsmaatregelen toegepast kunnen worden. Een dergelijke nationale beleidsvrijheid bestaat uiteraard slechts met betrekking tot die dierziekten waarvoor de bestrijdingsmaatregelen niet op communautair niveau uitputtend zijn voorgeschreven of niet verplicht zijn voorgeschreven. De maatregelen zijn niet uitputtend voorgeschreven indien de richtlijnen bijvoorbeeld slechts de aangifte van een dierziekte verplicht voorschrijven, zoals dourine, kwade droes en miltvuur.

Het hof verwerpt dit verweer op de volgende gronden.

Noch uit de bewoordingen, noch uit de strekking van genoemde richtlijnen blijkt dat zij uitputtend zijn bedoeld.

Op grond van artikel 9 lid 1 van Richtlijn 80/217/EEG stelt de bevoegde autoriteit, zodra de diagnose van klassieke varkenspest bij varkens op een bedrijf officieel is bevestigd, een beschermingsgebied in met een straal van ten minste 3 km en een toezichtsgebied met een straal van ten minste

10 km rond de plaats waar de uitbraak zich heeft voorgedaan. Uit het gebruik van de woorden "ten minste" blijkt dat de bevoegde autoriteit de mogelijkheid heeft om een groter gebied vast te stellen.

Het indelen van Nederland in twee deelgebieden is daarmee derhalve niet in strijd. Daarnaast is de onderhavige Regeling compartimentering varkens en vervoermiddelen voor varkens blijkens de toelichting (mede) gebaseerd op Richtlijn 90/425/EEG inzake

veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandkoming van de interne markt. In artikel 10 van deze Richtlijn staan een aantal maatregelen die de lidstaat in ieder geval dient te nemen. Daarnaast laat artikel 10, eerste lid expliciet toe dat er maatregelen genomen worden die de lidstaat zelf passend acht.

Voor zover een beroep is gedaan op het feit dat de Regeling maatregelen zou bevatten die niet zijn goedgekeurd in het kader van een rampenplan, is het hof van oordeel dat, zelfs al zou er strijd zijn met dit rampenplan, dit geen onverbindendheid van de

Regeling tot gevolg heeft.

Het hof verwerpt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het verweer van de raadsman op de onverbindendheid van de Regeling compartimentering varkens en vervoermiddelen voor varkens".

3.3. Voorzover het middel zich beroept op Richtlijn 92/119/EEG miskent het dat tot de dierziekten waarop deze richtlijn betrekking heeft niet de klassieke varkenspest behoort.

3.4.De klacht van het middel dat de wettelijke regelingen waarop de veroordeling steunt onverbindend zijn omdat zij in strijd zijn met Richtlijn 80/217/EEG wordt in de toelichting op het middel nader uiteengezet. Daarin wordt er op gewezen dat het bestaande vervoersverbod voor varkens in strijd is met zowel de Richtlijn 80/217/EEG als met het op grond van art. 14ter van die richtlijn door Nederland opgestelde rampenplan. Het middel ziet er aan voorbij dat ten laste van de verdachte niet het vervoer van varkens is bewezenverklaard, maar het vervoer van vervoermiddelen, kennelijk voor het vervoer van varkens bestemd.

3.5.Blijkens haar aanhef vindt de door het Hof van toepassing geoordeelde - inmiddels vervallen - Regeling compartimentering varkens en vervoermiddelen voor varkens haar communautaire grondslag in art. 10, eerste lid, van Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 26 juni 1990 EEG inzake veterinaire en zoö-technische controles in het intra-communautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en produkten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt. In Bijlage C bij die richtlijn wordt de klassieke varkenspest als een van de ziektes vermeld waarvoor krachtens die richtlijn noodmaatregelen moeten worden toegepast. Artikel 10, eerste lid, van die richtlijn voorziet erin dat een Lid-Staat naast de tenuitvoerlegging van communautair voorgeschreven bestrijdings- of preventiemaatregelen elke andere maatregel vaststelt die hij passend acht.

3.6. De in het middel ingenomen stelling dat artikel 10,

eerste lid, van Richtlijn 90/425/EEG geen grondslag kan vormen voor maatregelen die verder gaan - en niet conform de daarvoor voorgeschreven procedurevoorschriften zijn getroffen - dan die welke zijn voorzien in de overige in het middel genoemde richtlijnen op het terrein van de bestrijding van de klassieke varkenspest, is dus onjuist, nog daargelaten in hoeverre laatstgenoemde richtlijnen overigens als uitputtend kunnen worden aangemerkt.

3.7.Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 10 juli 2001.