Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZC3697

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2001
Datum publicatie
15-10-2001
Zaaknummer
R00/166HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZC3697
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Ars Aequi AA20020163 met annotatie van M.J.G.C. Raaijmakers
JOL 2001, 529
NJ 2003, 534
RvdW 2001, 153
EB 2002, 1
FJR 2002, 8
JWB 2001/250

Uitspraak

12 oktober 2001

Eerste Kamer

Rek.nr. R00/166HR

AP

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[De vrouw], wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. K.T.B. Salomons,

t e g e n

[De man], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. van Staden ten Brink.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 13 april 1999 ter griffie van de Rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht - voor zover in cassatie van belang - tussen haar en verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - echtscheiding uit te spreken met nevenvoorzieningen, waaronder vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap conform een in het inleidend verzoekschrift geformuleerd voorstel.

De man heeft het verzoek bestreden en een zelfstandig verzoek ingediend.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 15 februari 2000 - voor zover in cassatie van belang - tussen partijen echtscheiding uitgesproken en de verdeling van de huwelijksgemeenschap, welke door de scheiding wordt ontbonden, vastgesteld, waarbij de Rechtbank het kapitaal in de maatschap aan de man heeft toebedeeld.

Tegen laatstgemelde beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij beschikking van 11 oktober 2000 heeft het Hof - voor zover in cassatie van belang en met vernietiging van de beschikking van de Rechtbank - bepaald dat aan de man wordt toebedeeld: de onbepaalde waarde van het deel van zijn maatschapsaandeel dat bestaat uit goodwill, en aan de vrouw: een vordering op de man ter grootte van de helft van de te zijner tijd aan hem ter zake van de goodwill, uitgekeerde netto vergoeding, welke vordering niet eerder opeisbaar zal worden dan nadat de man die vergoeding heeft ontvangen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep, met compensatie van de kosten.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Het gaat in cassatie om het volgende.

(i) De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1955, en de man, geboren op [geboortedatum] 1955, zijn op 22 augustus 1978 gehuwd in gemeenschap van goederen. De vrouw heeft op 13 april 1997 een verzoek bij de Rechtbank ingediend dat strekt tot - kort gezegd - echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder vaststelling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

(ii) Tot de gemeenschap behoort volgens de vrouw de waarde van de goodwill ten bedrage van ƒ 419.540,-- in de maatschap waaraan de man als medisch specialist is verbonden. Dit bedrag heeft de vrouw berekend aan de hand van de richtlijnen van de Orde van Medische Specialisten. De helft van dit bedrag dient aan haar te worden uitgekeerd, aldus de vrouw. De man is van mening dat de goodwill buiten de verdeling moet blijven. Ten aanzien van de peildatum van de verdeling zijn partijen ter terechtzitting van de Rechtbank 13 april 1999 overeengekomen.

(iii) De Rechtbank heeft geoordeeld dat de goodwill thans niet bij de verdeling kan worden meegenomen, nu de waarde van de goodwill, gelet op alle (toekomstige) onzekerheden die hieromtrent bestaan, niet beoordeeld kan worden, en heeft het onder (ii) vermelde verzoek van de vrouw afgewezen. Wel heeft de Rechtbank vastgesteld dat de man heeft toegezegd dat hij, mocht hij in de toekomst een bedrag aan goodwill ontvangen, de helft van dat bedrag aan de vrouw zal uitkeren.

(iv) Het Hof heeft, met vernietiging van de beschikking van de Rechtbank, bepaald dat aan de man wordt toebedeeld: de onbepaalde waarde van het deel van zijn maatschapsaandeel dat bestaat in de goodwill, en aan de vrouw: een vordering op de man ter grootte van de helft van de te zijner tijd aan hem ter zake van de goodwill uitgekeerde netto vergoeding, welke vordering niet eerder opeisbaar zal worden dan nadat de man die vergoeding heeft ontvangen.

3.2 Het middel keert zich onder II, 3 - 5, met rechts- en motiveringsklachten tegen de hiervoor in 3.1 onder (iv) gegeven beslissing en de daarvoor gegeven motivering en strekt ten betoge dat het Hof de helft van de waarde van de goodwill, berekend naar de waarde ten tijde van de verdeling, aan de vrouw had moeten toedelen.

3.3 Bij de beoordeling van deze klachten moet het volgende worden vooropgesteld (zie o.m. HR 17 april 1998, nr. 16.554, C97/039, NJ 1999, 550).

A) De rechter, die, in een geval waarin de deelgenoten geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken, de verdeling daarvan op de voet van art. 3:185 lid 1 BW vaststelt, dient daarbij, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. Voorts is de rechter die de verdeling vaststelt, bij de vaststelling van de verdeling niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd.

B) Bij de verdeling van tot een gemeenschap behorende goederen moet, ter bepaling van hun waarde, in beginsel worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de verdeling. Uit hetgeen door partijen is overeengekomen en uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat hiervan wordt afgeweken.

3.4 Het Hof heeft zijn hiervoor in 3.1 onder (iv) weergegeven beslissing gemotiveerd met de overweging dat "de goodwill thans niet bepaalbaar is". Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat op het moment dat ter zake van de verdeling van het Hof een beslissing werd gevraagd, in verband met alle toekomstige onzekerheden niet een deugdelijke en betrouwbare waardering van de goodwill mogelijk was. Daarbij heeft het Hof kennelijk, en in het licht van het debat van partijen zoals daarvan blijkt uit de gedingstukken, niet onbegrijpelijk, mede gewicht toegekend aan de omstandigheid dat het hier gaat om een onzekere bate, die niet spoedig liquide gemaakt kan worden.

3.5 In het licht van de in 3.3 onder A omschreven vrijheid die de rechter ingevolge het bepaalde in art. 3:185 lid 1 bij de vaststelling van de verdeling van een gemeenschap heeft en de in 3.4 onder B omschreven mogelijkheid de waarde van de te verdelen goederen te bepalen naar een ander tijdstip dan dat van de verdeling, geeft 's Hofs beslissing niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Verweven als zij is met de omstandigheden van het geval en met waarderingen van feitelijke aard, kan zij voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Voorts heeft het Hof, gelet op hetgeen te dien aanzien hiervoor in 3.4 is overwogen, zijn beslissing toereikend gemotiveerd.

3.6 Op het in 3.3 - 3.5 overwogene stuiten de in 3.2 bedoelde klachten geheel af.

3.7 Nu 's Hofs oordeel dat een voldoende deugdelijke en betrouwbare waardering van de goodwill ten tijde van de uitspraak van het Hof niet mogelijk was, in cassatie stand houdt, kan ook de klacht onder II.6 die ertoe strekt dat het Hof gehouden was een deskundige te benoemen ter bepaling van de waarde van de goodwill, niet tot cassatie leiden.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 oktober 2001.