Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZC3691

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2001
Datum publicatie
15-10-2001
Zaaknummer
C99/333HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZC3691
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 101a, geldigheid: 2001-10-12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 536
Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2010, p. 19
JWB 2001/249

Uitspraak

12 oktober 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/333HR

NS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De vrouw], wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,

t e g e n

[De man], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. E. Grabandt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploit van 10 augustus 1993 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd:

1. de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van ƒ 66.727,66 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag ingaande de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

2. de vrouw te veroordelen tot afgifte aan de man dan wel aan een door de man aan te wijzen derde binnen 48 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis de bij conclusie van eis gespecificeerde zaken, op straffe van een dadelijk aan de man te verbeuren dwangsom.

De vrouw heeft de vordering bestreden en harerzijds in reconventie een vordering ingesteld, die in cassatie niet meer ter zake doet. Na een ingevolge een tussenvonnis van 2 oktober 1995 op 22 augustus 1996 gehouden comparitie van partijen heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 23 juli 1998, in conventie en in reconventie, de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen, in maandelijkse termijnen van ƒ 250,--, een bedrag van ƒ 8.477,01, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 augustus 1993 tot aan de dag der voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft de Rechtbank afgewezen.

Tegen het eindvonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De man heeft gevorderd het vonnis van 23 juli 1998 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vrouw primair alsnog te veroordelen tot betaling van de somma van ƒ 78.543,07 subsidiair tot een nader door het Hof te bepalen bedrag zoals in goede justitie behoort, verhoogd met de wettelijke rente.

Bij arrest van 25 juni 1999 heeft het Hof, in conventie en in reconventie, het bestreden vonnis vernietigd voor zover aan haar oordeel onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van ƒ 76.404,50, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 10 augustus 1993 tot aan de dag der algehele voldoening. Het meer of anders gevorderde heeft het Hof afgewezen.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met toepassing van art. 101a RO.

3. Beoordeling van de middelen

De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de man begroot op ƒ 4.945,-- in totaal, waarvan ƒ 4.740,-- op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier, en ƒ 205,-- aan de man.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 12 oktober 2001.