Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZC3689

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2001
Datum publicatie
19-10-2001
Zaaknummer
C99/262HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZC3689
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2001/218 met annotatie van Mr. drs. M.S.A. Vegter
JOL 2001, 549
NJ 2001, 663
RvdW 2001, 158
VR 2002, 32
JWB 2001/264

Uitspraak

19 oktober 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/262HR

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

PTT POST B.V., gevestigd te 's-Gravenhage,

EISERES tot cassatie,

advocaat: voorheen mr. J.C. van Oven,

thans mr. A.J. Swelheim,

t e g e n

[Verweerder], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. A.G. Castermans.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 9 juli 1997 eiseres tot cassatie - verder te noemen: PTT Post - gedagvaard voor de Kantonrechter te Alkmaar en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, PTT Post te veroordelen tot betaling aan hem van schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en voorts tot betaling van ƒ 50.000,-- als voorschot op voormelde schade en ƒ 1.690,17 aan buitengerechtelijke incassokosten.

PTT Post heeft de vordering bestreden.

De Kantonrechter te Alkmaar heeft bij vonnis van 10 september 1997 zich onbevoegd verklaard van de onderhavige vordering kennis te nemen en de zaak in de stand waarin deze zich bevond verwezen naar de Kantonrechter te Zaandam.

Deze Kantonrechter heeft bij vonnis van 12 maart 1998 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Haarlem.

Bij vonnis van 9 februari 1999 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [verweerder] toegewezen.

Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft PTT Post beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 15 februari 1994 is [verweerder] tijdens zijn werkzaamheden als postbesteller in dienst van PTT Post een verkeersongeval overkomen waarbij hij ernstig schedel- en hersenletsel heeft opgelopen. [Verweerder] is gedeeltelijk arbeidsongeschikt geraakt; hij werkt nog voor 50% als postbesteller bij PTT Post en ontvangt een WAO-uitkering.

(ii) Overeenkomstig de door PTT Post gegeven instructie had [verweerder] de door hem bestuurde dienstauto aan de linkerzijde van de Purmerenderweg te Zuidoostbeemster in de berm geparkeerd. De Purmerenderweg is een zogenaamde "buitenweg", waar een maximumsnelheid gold van 80 km per uur. [Verweerder] is uitgestapt en naar de achterzijde van de auto gelopen. Vervolgens heeft hij de achterdeur geopend. Op dat ogenblik waaide er een envelop uit de laadruimte van de auto de weg op, die [verweerder] in een impuls achterna schoot. Direct daarna werd hij aangereden door een hem, gezien de rijrichting van de dienstauto, tegemoetkomende auto.

(iii) Bij PTT Post bestaan geen schriftelijke veiligheidsinstructies voor postbestellers. Enig toezicht op de naleving van veiligheidsinstructies vindt niet plaats.

3.2 De Kantonrechter heeft de onder 1 vermelde vorderingen van [verweerder], die primair gebaseerd zijn op art. 7:658 BW, afgewezen.

3.3 In hoger beroep, waar de grieven 3 tot en met 6 zich keerden tegen het oordeel van de Kantonrechter dat PTT Post niet is tekortgeschoten in enige op grond van art. 7:658 op haar rustende zorgplicht, heeft [verweerder] benadrukt dat PTT Post geen, althans onvoldoende maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat er post uit de bestelwagen kon waaien. PTT Post heeft zulks betwist, stellende dat voor postbodes de volgende instructies gelden:

- de post die besteld moet worden, wordt achterin de bestelwagen vervoerd in bakken en gebundeld door middel van elastieken, zodat de post niet kan wegwaaien;

- op de passagiersstoel staat de bak met post waar de postbode op dat moment mee bezig is; het elastiek van de bundel die de postbode aan het bezorgen is, is verwijderd;

- de postbode stopt bij het desbetreffende adres, pakt de post uit de bak, stapt uit en bezorgt die post;

- begint de postbode aan een nieuwe bak, dan tilt hij deze naar de passagiersstoel om vervolgens in de auto, terwijl deze langs de weg geparkeerd staat, de elastieken te verwijderen.

De Rechtbank heeft de grieven 3 tot en met 6 gegrond bevonden. Hetgeen zij daartoe heeft overwogen kan als volgt worden samengevat. Ingevolge het hier van toepassing zijnde art. 7:658 is het aan PTT Post te stellen en zonodig te bewijzen dat zij haar verplichtingen uit lid 1 van dit artikel is nagekomen (rov. 5.2). De mate waarin van een werkgever veiligheidsinstructies kunnen worden gevergd, wordt mede bepaald door de aard van de werkzaamheden. Mede in het licht van het ervaringsfeit dat het dagelijks verkeren in een bepaalde werksituatie tot een vermindering van de ter voorkoming van ongelukken raadzame voorzichtigheid leidt, zijn aan de door [verweerder] verrichte werkzaamheden, waarbij de postbesteller zich dicht langs buiten de bebouwde kom gelegen wegen bevindt waarover met behoorlijke snelheden wordt gereden, aanzienlijke risico's verbonden. Op PTT Post rust in dit geval derhalve een aanzienlijke verplichting veilig werken te bevorderen en op veilig werken toe te zien (rov. 5.4). Tot de zorgplicht van PTT Post behoort (minimaal) dat er duidelijke veiligheidsinstructies bestaan, dat deze schriftelijk zijn vastgelegd en dat in enige vorm toezicht wordt gehouden op de naleving ervan (rov. 5.5). De door PTT Post gestelde veiligheidsmaatregelen zijn niet toereikend om aan de van haar in redelijkheid te vergen veiligheidsverplichting te voldoen, mede in aanmerking genomen dat, zoals PTT Post heeft gesteld, a) de post niet altijd met elastieken wordt gebundeld en b) de postbesteller zich altijd wel op enig moment bij de achterklep van de auto moet ophouden, waardoor hij aan het zicht van het tegemoetkomend verkeer wordt onttrokken (rov. 5.6). PTT Post is derhalve aansprakelijk voor de door [verweerder] geleden schade tenzij zij voldoende gemotiveerd stelt (en zonodig bewijst) dat ook de redelijkerwijs van haar te vergen veiligheidsmaatregelen het ongeval niet zouden hebben voorkomen (rov. 5.7). In dit verband heeft PTT Post gesteld dat geen enkele instructie het ongeval had kunnen voorkomen. Het is immers het gevolg van onoplettendheid van [verweerder], die het poststuk in zijn handen moet hebben gehad toen het wegwaaide, nu post met elastieken wordt gebundeld en rechtop in de bakken staat, en een dergelijk ongeval zich nooit eerder heeft voorgedaan (rov. 5.8). Eventuele onoplettendheid van [verweerder] kan, aldus de Rechtbank, geen afbreuk doen aan het bestaan van het vereiste causale verband en voor het overige heeft PTT Post haar stellingen te dezen onvoldoende feitelijk onderbouwd, nu zij niet meer heeft gedaan dan een veronderstelling uiten, waarbij hetgeen zij als ervaringsregel ter ondersteuning daarvan opwerpt, volgens haarzelf niet altijd opgaat (rov. 5.9).

3.4 Onderdeel 1, dat een inleiding bevat, behoeft geen afzonderlijke behandeling. Onderdeel 2 is bij de schriftelijke toelichting ingetrokken.

3.5.1 Onderdeel 3 klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans op onvoldoende begrijpelijke gronden is uitgegaan van "het ervaringsfeit dat het dagelijks verkeren in een bepaalde werksituatie tot een vermindering van de ter voorkoming van ongelukken raadzame voorzichtigheid leidt", en dit ervaringsfeit mede ten grondslag heeft gelegd aan haar oordeel dat PTT Post onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. Genoemd ervaringsfeit kan, aldus het onderdeel, in een zaak als deze, waar het gaat om een verkeersongeval ten gevolge van onvoorzichtig gedrag van een werknemer, geen gewicht in de schaal leggen nu geenszins valt in te zien dat als ervaringsfeit kan worden aangemerkt dat dagelijkse deelname aan het wegverkeer leidt tot een vermindering van de ter voorkoming van verkeersongelukken raadzame voorzichtigheid.

3.5.2 Het onderdeel, dat niet het bestaan bestrijdt van de ervaringsregel dat het dagelijks verkeren in een bepaalde werksituatie tot een vermindering van de ter voorkoming van ongelukken raadzame voorzichtigheid leidt, faalt. Een schakel in de hiervoor onder 3.3 samengevatte gedachtengang van de Rechtbank welke uitmondt in het oordeel dat PTT Post onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, wordt gevormd door het oordeel dat aan de door [verweerder] in het onderhavige geval als postbesteller verrichte werkzaamheden aanzienlijke risico's zijn verbonden. Dat de Rechtbank voor dit oordeel, waaraan zij de gevolgtrekking heeft verbonden dat op PTT Post in dit geval een aanzienlijke verplichting rust om veilig werken te bevorderen en om op veilig werken toe te zien, mede de zo-even genoemde ervaringsregel redengevend heeft geoordeeld, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en is evenmin onbegrijpelijk. Anders dan het onderdeel kennelijk tot uitgangspunt neemt, behoefde het feit dat een postbesteller bij de uitvoering van die werkzaamheden tevens deelnemer aan het wegverkeer is, de Rechtbank niet ervan te weerhouden gewicht toe te kennen aan die ervaringsregel.

3.6.1 Onderdeel 4 klaagt dat de Rechtbank bij haar oordeel dat PTT Post onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen (rov. 5.5 - 5.7), mede had moeten betrekken de kwestie of enige, en zo ja, welke in redelijkheid van PTT Post te vergen veiligheidsinstructie of -maatregel een ongeval als het onderhavige had kunnen voorkomen althans de kans daarop had kunnen verkleinen, zeker nu PTT Post heeft aangevoerd dat geen enkele instructie of maatregel een dergelijk ongeval had kunnen voorkomen. Ook met inachtneming van de hiervoor in 3.3 onder a) en b) vermelde, door de Rechtbank in haar oordeel betrokken omstandigheden valt geenszins in te zien in wat voor (concrete) veiligheidsinstructie of -maatregel PTT Post volgens de Rechtbank nu eigenlijk is tekortgeschoten, aldus het onderdeel.

3.6.2 Bij de beoordeling van deze klacht moet het volgende worden vooropgesteld. De Rechtbank heeft, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat [verweerder] tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden in een impuls, ingegeven door het feit dat een poststuk uit de aan de achterzijde geopende laadruimte van de bestelauto de weg op waaide, de rijbaan op is geschoten. Daarvan uitgaande heeft de Rechtbank met juistheid geoordeeld dat het in dit geding gaat om de vraag of PTT Post in redelijkheid door middel van veiligheidsmaatregelen of -instructies de kans op dat wegwaaien van post had kunnen en moeten voorkomen, althans verkleinen, en dus - anders dan het onderdeel tot uitgangspunt lijkt te nemen - niet om de vraag of PTT Post in redelijkheid door maatregelen of instructies had kunnen en moeten voorkomen dat postbestellers bij een verkeersongeval betrokken raken doordat zij zonder aanleiding en zonder op te letten vanachter hun bestelauto de weg oplopen.

De klacht dat de Rechtbank haar oordeel dat PTT Post onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen ontoereikend heeft gemotiveerd omdat zij niet duidelijk heeft gemaakt in welke (concrete) veiligheidsinstructie of -maatregel PTT Post is tekortgeschoten, ziet eraan voorbij dat PTT Post zelf heeft gewezen op het bestaan van veiligheidsinstructies juist ter voorkoming van wegwaaien van post uit de laadruimte van de bestelauto. De Rechtbank heeft deze hiervoor in 3.3 vermelde instructies in haar overwegingen betrokken, maar is tot het oordeel gekomen dat deze niet toereikend waren om aan de van PTT Post in het onderhavige geval in redelijkheid te vergen veiligheidsverplichting te voldoen omdat zij niet schriftelijk waren vastgelegd en op de naleving ervan geen enkel toezicht werd gehouden. Aldus heeft de Rechtbank haar bestreden oordeel toereikend gemotiveerd. Onderdeel 4 faalt derhalve, voor zover het al feitelijke grondslag heeft.

3.7 Onderdeel 5 kan wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Anders dan het onderdeel veronderstelt, is de Rechtbank niet uitgegaan van enige rechtsopvatting omtrent art. 7:658 die erop neerkomt dat de werkgever die niet voor veiligheidsinstructies of -maatregelen heeft gezorgd die een concreet ongeluk als het onderhavige hebben voorkomen reeds daarom in de naleving van zijn veiligheidsverplichtingen tekortschiet. Blijkens het bestreden vonnis is de Rechtbank immers - met juistheid - uitgegaan van de opvatting dat art. 7:658 ertoe strekt te bewerkstelligen dat de werknemer tegen het oplopen van schade als in deze bepaling bedoeld wordt beschermd voor zover als redelijkerwijs in verband met de aard van de arbeid gevorderd kan worden (vgl. onder meer HR 24 juni 1994, nr. 15369, NJ 1995, 137).

3.8.1Onderdeel 6 klaagt dat de Rechtbank heeft miskend dat PTT Post haar stelling dat geen enkele instructie het onderhavige ongeval had kunnen voorkomen mede naar voren heeft gebracht ten betoge dat zij niet in de op haar rustende zorgverplichting is tekortgeschoten omdat ongelukken ten gevolge van evidente, door impulsief gedrag veroorzaakte, verkeersfouten als de onderhavige door geen enkele maatregel kunnen worden voorkomen.

3.8.2 Zoals hiervoor in 3.6.2 is overwogen, gaat het in dit geding om de vraag of PTT Post in redelijkheid door middel van veiligheidsmaatregelen of -instructies de kans op wegwaaien van post uit de aan de achterzijde geopende laadruimte van de bestelauto had kunnen en moeten voorkomen, althans verkleinen. De Rechtbank heeft deze vraag bevestigend beantwoord en in de overwegingen die haar tot dat antwoord hebben geleid ligt het oordeel besloten dat daaraan niet kan afdoen dat ongelukken ten gevolge van verkeersfouten als in het onderdeel bedoeld door geen enkele veiligheidsmaatregel kunnen worden voorkomen. Ook onderdeel 6 kan derhalve wegens gemis aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.9 Onderdeel 7 berust op hetzelfde, hiervoor in de tweede alinea van 3.6.2 onjuist bevonden, uitgangspunt als onderdeel 4 en moet derhalve het lot daarvan delen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt PTT Post in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 1.397,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, J.B. Fleers, A.G. Pos en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 19 oktober 2001.