Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZC3686

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2001
Datum publicatie
19-10-2001
Zaaknummer
C00/264HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZC3686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 67, geldigheid: 2001-10-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 560
NJ 2001, 655
RvdW 2001, 162
VR 2002, 51
AV&S 2002, p. 49 (nr. 3)
JWB 2001/263

Uitspraak

19 oktober 2001

Eerste Kamer

Nr. C00/264HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster,

advocaat: mr. G. Snijders,

t e g e n

VERENIGING VOOR DIACONESSENARBEID IN EINDHOVEN EN OMGEVING, gevestigd te Eindhoven,

VERWEERSTER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiseres,

advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - heeft bij exploit van 2 mei 1996 verweerster in cassatie - verder te noemen: het Diaconessenhuis - gedagvaard voor de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd het Diaconessenhuis te veroordelen de in de inleidende dagvaarding bedoelde schade te vergoeden, vermeerderd met rente en kosten en nader op te maken bij staat, alsmede aan [eiseres] een voorschotbedrag van ƒ 25.000,-- op genoemde schade te betalen.

Het Diaconessenhuis heeft de vordering bestreden.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 16 januari 1998 de vorderingen van [eiseres] afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Bij arrest van 7 juni 2000 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. Het Diaconessenhuis heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatie-dagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt zowel in het principaal als in het incidenteel cassatieberoep tot vernietiging en verwijzing.

3. Beoordeling van de middelen in het principale beroep

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiseres] heeft in 1956 in het Diaconessenziekenhuis te Eindhoven een maagoperatie ondergaan. In verband daarmee is in het laboratorium van het ziekenhuis haar rhesusfactor bepaald. Daarbij is een fout gemaakt waardoor [eiseres] rhesus-positief bloed getransfuseerd heeft gekregen. Dit heeft bij haar geleid tot rhesusantagonisme.

(ii) Ten gevolge van een en ander heeft [eiseres] tweemaal, in 1959 en in 1960, een doodgeboren kind gekregen. Voorts bleek dat haar kans om kinderen te krijgen praktisch nul was. Zij heeft zich daarom in 1967 laten steriliseren.

(iii) Pas in 1988 vernam [eiseres] dat haar onvrijwillige kinderloosheid het gevolg was van een menselijke fout, gemaakt in het laboratorium van het ziekenhuis.

(iv) Bij dagvaarding van 29 mei 1991 heeft [eiseres] het Diaconessenhuis aangesproken tot vergoeding van schade bestaande in haar onvrijwillige kinderloosheid en spanningen als gevolg van voormelde, als onrechtmatige daad aangemerkte, fout. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering was verjaard en [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd, en de Hoge Raad heeft bij arrest van 3 november 1995, nr. 15 801, NJ 1998, 380, het daartegen ingestelde cassatieberoep verworpen.

3.2 [Eiseres] heeft in het onderhavige geding opnieuw schadevergoeding gevorderd, en wel thans, naar zij heeft aangevoerd, andere schade dan die bestaande in haar onvrijwillige kinderloosheid. Volgens de in cassatie niet bestreden vaststelling van het Hof in rov. 4.2 van zijn arrest betreft de door [eiseres] gevorderde schadevergoeding:

a. de doorlopende immateriële schade die zij vanaf 1961 heeft geleden ten gevolge van het tot twee maal toe krij-gen van een doodgeboren kind en het leed en de stress door het gemis aan (klein)kinderen;

b. de doorlopende schade ten gevolge van de medische noodzaak om zich vanwege de verkeerde bloedtransfusie 6-wekelijks door de huisarts een vitamine B injectie te laten toedienen;

c. de in 1988 ontstane immateriële schade ten gevolge van het feit dat zij toen voor het eerst door het Diaconessenhuis erover werd ingelicht dat haar kinderloosheid te wijten was geweest aan een onnodige menselijke fout die tot 1988 tegenover haar door het Diaconessenhuis en de daaraan verbonden artsen is verzwegen; subsidiair vormt het extra leed als gevolg van de verzwijging een nieuwe schadepost uit 1988.

Het middel richt zich tegen de bekrachtiging door het Hof van het vonnis van de Rechtbank waarbij de vorderingen van [eiseres] waren afgewezen.

3.3 Middel I keert zich tegen hetgeen het Hof heeft overwogen in rov. 4.3 en 4.3.1 van zijn arrest. Daarin heeft het Hof in de eerste plaats overwogen dat de hiervoor in 3.2 onder a. en b. vermelde schade is veroorzaakt door de laboratoriumfout en de daarop gevolgde verkeerde bloedtransfusie, en dat deze onderdelen van de vordering afstuiten op het gezag van gewijsde van hetgeen in de eerdere procedure is beslist. Daaraan heeft het Hof toegevoegd dat, anders dan [eiseres] in haar vierde appelgrief had betoogd, de verjaring van de vordering tot vergoeding van schade als de onderhavige begint te lopen op het tijdstip van het schadeveroorzakend handelen.

Het middel neemt terecht tot uitgangspunt dat naar het vóór 1 januari 1992 toepasselijke recht de verjaring van een rechtsvordering tot vergoeding van schade op grond van onrechtmatige daad begint te lopen op het tijdstip waarop de schade is geleden. Ook met betrekking tot de schade waarop het middel betrekking heeft moet evenwel worden aangenomen dat deze is ontstaan op en dus is geleden op het tijdstip waarop de onrechtmatige daad, hier de laboratoriumfout, is gepleegd. Daaraan doet, anders dan het middel betoogt, niet af dat sprake is van een doorlopende schade, in die zin dat leed en verdriet voortduren, evenals de noodzaak periodiek injecties te ondergaan. Het gaat hier immers om afzonderlijke elementen van de schade die in haar geheel bestaat in de door de onrechtmatige daad veroorzaakte lichamelijke toestand - het rhesusantagonisme - van [eiseres].

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen geeft het in rov. 4.3 van 's Hofs arrest besloten oordeel dat de onder a. en b. bedoelde schade die in het onderhavige geding wordt gevorderd, te weten schade ten gevolge van de laboratoriumfout en de daarop gevolgde bloedtransfusie, geen andere schade is dan die waarover reeds in het eerdere geding was beslist, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel, dat mede berust op een aan het Hof voorbehouden uitleg van de stukken van het geding, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen verdere motivering.

Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.4 Met betrekking tot de schadepost onder c. heeft het Hof kennelijk zowel het primaire als het subsidiaire standpunt van [eiseres] aldus verstaan dat het hier niet ging om schade ten gevolge van de laboratoriumfout en de daarop gevolgde bloedtransfusie, maar dat deze schade het gevolg was van een afzonderlijke onrechtmatige daad, te weten het niet nakomen door het Diaconessenhuis van zijn informatieverplichting, doordat het tot 1988 heeft verzwegen dat de kinderloosheid van [eiseres] een gevolg was van een onnodige menselijke fout (rov. 4.2, onder c., en rov. 4.4). Deze aan het Hof voorbehouden uitleg van de stukken van het geding is niet onbegrijpelijk.

De motivering die het Hof in rov. 4.4.1 ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat de dagvaarding van 21 mei 1991 (de Hoge Raad leest: 29 mei 1991) niet als een daad van stuiting kan worden aangemerkt, moet aldus worden verstaan dat de thans ingestelde vordering tot vergoeding van de schade als gevolg van de verzwijging berust op een andere feitelijke en juridische grondslag dan de destijds bij dagvaarding van 29 mei 1991 ingestelde vordering. Aldus is het Hof uitgegaan van de juiste maatstaf. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is 's Hofs oordeel ook niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.

Middel II faalt derhalve eveneens.

3.5 Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het Hof zou leiden, behoeft geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Diaconessenhuis begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 19 oktober 2001.