Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZC3669

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2001
Datum publicatie
05-10-2001
Zaaknummer
C00/248HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZC3669
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 144, geldigheid: 2001-10-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 519
NJ 2002, 514
RvdW 2001, 152
JWB 2001/234

Uitspraak

5 oktober 2001

Eerste Kamer

Nr. C00/248HR

CP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. P. Garretsen,

t e g e n

STICHTING CHRISTELIJKE HULPVERLENING, gevestigd te Gouda,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.F. Thunnissen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: SCH - heeft bij exploit van 18 maart 1998 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - op verkorte termijn gedagvaard voor de Kantonrechter te Gouda en, na wijziging van eis, gevorderd [eiseres] te veroordelen om:

primair:

a. de woning [...] te [woonplaats] te ontruimen en ontruimd te houden met allen die en alles wat zich daarin vanwege [eiseres] bevindt;

b. te betalen ƒ 1.054,81 ter zake van huurpenningen, met wettelijke rente over ƒ 884,10 vanaf de dag van dagvaarding;

c. te betalen ƒ 1.530,76 ter zake van schade die SCH lijdt als gevolg van de uitblijvende ontruiming, met wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid;

subsidiair:

a. te ontbinden de huurovereenkomst en [eiseres] te veroordelen om de woning te ontruimen en ontruimd te houden;

b. [eiseres] te veroordelen om te betalen ƒ 2.504,82 ter zake van huurpenningen, met wettelijke rente over ƒ 2.105,85 vanaf de dag van dagvaarding;

c. [eiseres] te veroordelen om te vergoeden de schade als gevolg van de ontbinding bestaande in een vergoeding gelijk aan de huur vanaf de datum van ontbinding tot en met de maand van de ontruiming, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid.

[Eiseres] heeft de vorderingen bestreden.

De Kantonrechter heeft bij vonnis van 1 oktober 1998 [eiseres] veroordeeld om aan SCH te betalen:

- een bedrag van ƒ 79,81 ter zake van huur te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van voldoening;

- een bedrag van ƒ 1.055,76 ter zake van gebruiksvergoeding te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag van voldoening;

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [eiseres] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Gravenhage.

Nadat partijen de gebruikelijke memories hadden genomen heeft [eiseres] pleidooi gevraagd. Bij brief van 27 augustus 1999 heeft zij dit verzoek nader toegelicht.

De Rechtbank heeft dit verzoek bij tussenvonnis van 7 september 1999 afgewezen en de zaak naar de rolzitting verwezen.

Bij eindvonnis van 15 maart 2000 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis bekrachtigd.

Beide vonnissen van de Rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen zowel het tussenvonnis als het eindvonnis van de Rechtbank heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

SCH heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot vernietiging van beide vonnissen van de Rechtbank, en tot (terug)verwijzing van de zaak naar de Rechtbank te 's-Gravenhage.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 1 juni 2001 op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 In deze zaak heeft de Rechtbank (evenals de Kantonrechter) geoordeeld dat voor [eiseres] de verplichting bestond een door haar van SCH gehuurde woning te ontruimen. De Rechtbank heeft dit oordeel erop gegrond dat het ging om huur met het oog op gebruik van woonruimte dat naar zijn aard van korte duur is (art. 7A: 1623a lid 1).

Noch in eerste aanleg noch in appel heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.

3.2 [Eiseres], die in hoger beroep was gekomen van het vonnis van de Kantonrechter en tegen dat vonnis grieven had gericht, heeft in de appelprocedure, nadat SCH een memorie van antwoord had genomen, pleidooi gevraagd. Op verlangen van de rolrechter heeft zij dit verzoek schriftelijk toegelicht. In die toelichting heeft [eiseres] onder meer aangevoerd dat zij wenste te reageren op de memorie van antwoord, dat zij wilde duidelijk maken dat de verhuurde woning niet voor kortlopende huurovereenkomsten was bedoeld, dat de verhuurster in strijd heeft gehandeld met de geest van het huurcontract, en dat zij nog nadere gegevens in het geding wilde brengen, waarvan zij niet eerder wetenschap had.

De Rechtbank heeft het verzoek afgewezen bij een als tussenvonnis aan te merken "beslissing van de rolrechter" van 7 september 1999 en heeft daarbij als volgt overwogen:

"2. Vooropgesteld wordt dat op grond van fundamentele beginselen van procesrecht - mede ontleend aan artikel 6 EVRM - er weliswaar vanuit dient te worden gegaan dat een procespartij recht heeft om mondeling gehoord te worden c.q. op pleidooi, doch dat dit geen absoluut recht betreft. Onder bepaalde omstandigheden kan een verzoek om pleidooi immers worden afgewezen. Dit brengt mee dat de rolrechter (in zekere mate) het recht heeft om zo'n verzoek te toetsen. Daarnaast heeft zij opgemerkt dat een pleidooi in het algemeen dient om - nadat partijen hun standpunten schriftelijk uiteen hebben gezet - die standpunten nog eens mondeling toe te lichten, voor zover dit, met name tegen de achtergrond van nadien nog verkregen inzichten en informatie, redelijkerwijs vereist mocht zijn om tot een juiste beslissing te kunnen komen.

3. Blijkens de toelichting is het verzoek met name ingegeven door de behoefte om te antwoorden op de memorie van antwoord van de Stichting. Dat is onvoldoende om het verzoek te honoreren omdat de wetgever daar nu juist niet voor gekozen heeft.

De rolrechter constateert voorts dat de door de raadsman van [eiseres] ter ondersteuning van het verzoek aangevoerde argumenten ook al naar voren zijn gebracht in de memorie van grieven en voor zover het om nieuwe argumenten zou gaan, geeft de raadsman onvoldoende aan waarom die niet eerder naar voren zijn gebracht, gegeven het feit dat de in geschil zijnde ontruiming heeft plaatsgehad in april 1998. Terzake van beweerdelijk geleden schade, die door de Stichting wordt ontkend, geldt bovendien dat [eiseres] geen eis in reconventie heeft ingediend.

Alles bijeengenomen acht de rolrechter, mede nog in aanmerking genomen dat de inleidende dagvaarding dateert van 18 maart 1998, het verzoek niet stroken met de regels van de goede procesorde."

3.3.1 Middel I voert aan dat de Rechtbank heeft miskend dat [eiseres] reeds op grond van art. 6 EVRM een absolute aanspraak heeft op een "oral hearing" c.q. op het houden van een pleidooi, dat zulks ook volgt uit art. 144 Rv., dat de Rechtbank al niet had mogen vragen het verzoek om pleidooi schriftelijk toe te lichten, en dat in ieder geval de Rechtbank op onjuiste gronden het verzoek tot het houden van een pleidooi in strijd met de goede procesorde heeft geacht.

3.3.2 Bij de behandeling van het middel moet worden voorop gesteld dat art. 144 Rv. in hoger beroep toepasselijk is (zie: HR 26 september 1995, nr. 15778, NJ 1997, 340). Genoemde bepaling geeft partijen het recht hun zaak mondeling te (doen) bepleiten.

De rechter zal een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogen weigeren. Ingeval de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek bezwaar maakt kunnen slechts daartoe aangevoerde klemmende redenen, bijvoorbeeld dat de procedure door het pleidooi op onaanvaardbare wijze zou worden vertraagd, tot afwijzing van het verzoek leiden. De rechter kan het verzoek ook ambtshalve afwijzen, doch alleen op de grond dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde. In elk van beide hiervoor bedoelde gevallen zal de rechter zijn redenen voor de afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk moeten motiveren (zie HR 15 maart 1996, nr. 15778, NJ 1997,341).

3.3.3 Uit het voorgaande volgt dat het middel faalt voorzover het ervan uitgaat dat de rechter een verzoek tot het houden van een pleidooi nooit mag afwijzen. Het faalt evenzeer voorzover het ervan uitgaat dat het de rechter niet is toegestaan een nadere toelichting te vragen op het verzoek. Het middel slaagt echter voor het overige. Niet gezegd kan worden dat de omstandigheden waarop de Rechtbank haar afwijzing van het verzoek om de zaak mondeling te mogen toelichten heeft gegrond, het oordeel kunnen dragen dat dit verzoek is gedaan in strijd met hetgeen een goede procesorde eist.

3.4 Middel II voert aan dat, zo de Rechtbank al terecht het verzoek tot pleidooi heeft geweigerd, de Rechtbank de gelegenheid zou moeten hebben geboden op een andere wijze een "oral hearing" te doen plaatsvinden. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.3 is overwogen heeft [eiseres] geen belang meer bij het middel.

3.5 Het vorenoverwogene brengt mee dat het bestreden vonnissen niet in stand kunnen blijven en dat de overige middelen geen behandeling behoeven.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de vonnissen van de Rechtbank te 's-Gravenhage van 7 september 1999 en 15 maart 2000;

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt SCH in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op ƒ 4.200,96 in totaal, waarvan ƒ 4.082,21 op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de Griffier, en ƒ 118,75 te voldoen aan [eiseres].

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 5 oktober 2001.