Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZC3654

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2001
Datum publicatie
19-10-2001
Zaaknummer
C99/324HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZC3654
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 42, geldigheid: 2001-10-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2001/269 met annotatie van mr. N.E.D. Faber
JOL 2001, 552
NJ 2001, 654
RvdW 2001, 159
Ondernemingsrecht 2002, 23
JWB 2001/260

Uitspraak

19 oktober 2001

Eerste Kamer

Nr. C99/324HR

CP

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[Eiseres], wonende te [woonplaats], België,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. A.H. Vermeulen,

t e g e n

Mr. Pieter Guillaume GILHUIS, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [betrokkene A], wonende te Dordrecht,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. S. Simonetti.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de curator - heeft bij exploit van 1 oktober 1992 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [eiseres] - gedagvaard voor de Rechtbank te Dordrecht en, voorzover in cassatie nog van belang, gevorderd de in de inleidende dagvaarding omschreven hypothecaire inschrijvingen waardeloos te verklaren, met bepaling dat het vonnis dezelfde rechtskracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte.

[Eiseres] heeft de vordering bestreden.

Bij conclusie van repliek heeft de curator zijn eis vermeerderd in die zin dat hij tevens een verklaring voor recht vordert dat de in de inleidende dagvaarding genoemde rechtshandelingen nietig zijn dan wel vernietigd moeten worden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 23 februari 1994 de curator tot bewijslevering toegelaten en iedere verdere beslissing aangehouden. Na getuigenverhoor heeft de Rechtbank bij tussenvonnis van 19 oktober 1994 de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door de curator.

Tegen beide vonnissen van de Rechtbank heeft de curator hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 3 juni 1999 heeft het Hof de bestreden (tussen)vonnissen bekrachtigd en de zaak teruggewezen naar de Rechtbank te Dordrecht teneinde de zaak verder te beslissen en af te doen met inachtneming van zijn arrest.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De curator heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [Eiseres] is in 1951 gehuwd met [betrokkene A]. Bij huwelijkse voorwaarden is tussen hen elke gemeenschap van goederen uitgesloten. In artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden is een verrekenbeding opgenomen, inhoudende dat hetgeen van het inkomen van [betrokkene A] en de jaarlijkse bijdrage van [eiseres] aan de huishoudkosten na aftrek van die kosten resteert, aan beide echtelieden voor de helft toekomt. De huwelijkse voorwaarden verplichten [betrokkene A] daaromtrent jaarlijks rekening en verantwoording af te leggen aan [eiseres].

(ii) Bij een op 3 april 1974 notarieel vastgelegde vaststellingsovereenkomst heeft [betrokkene A] erkend aan [eiseres] op grond van het verrekenbeding over de periode 1951 tot en met 1973 een bedrag van ƒ 100.000,-- schuldig te zijn. [Eiseres] heeft erin toegestemd dat deze schuld werd omgezet in een geldlening.

(iii) Bij een op 12 oktober 1984 (omstreeks 16.00 uur) door notaris Damstra te Dordrecht notarieel vastgelegde vaststellingsovereenkomst heeft [betrokkene A] erkend dat hij [eiseres] op grond van het verrekenbeding over de periode 1974 tot en met 1983 minimaal ƒ 1.000.000,-- schuldig was. [Eiseres] heeft erin toegestemd dat ook deze schuld werd omgezet in een direct opeisbare geldlening. [betrokkene A] heeft zich in artikel 11 van genoemde overeenkomst verplicht hypothecaire zekerheid te stellen voor al hetgeen hij aan [eiseres] verschuldigd is.

(iv) Eveneens op 12 oktober 1984 heeft [betrokkene A] ter zake van voormelde schuld aan [eiseres] hypotheek verleend op een aantal hem toebehorende percelen bebouwde grond. De desbetreffende hypotheekakten zijn op 12 oktober 1984 verleden voor notaris Damstra. De akten zijn op 15 oktober 1984 ingeschreven in de daartoe bestemde openbare registers.

(v) De Ontvanger der Rijksbelastingen en de Staat der Nederlanden hebben op 12 oktober 1984 vier dwangbevelen ten laste van [betrokkene A] uitgevaardigd en beslag gelegd op de hiervoor in (iv) bedoelde, aan [betrokkene A] toebehorende, percelen grond. De beslagen zijn toen niet overgeschreven in het hypotheekregister. Drie van de dwangbevelen, voor een totaal van ƒ 3.811.528,-- aan belastingschulden, zijn die dag om 14.45 uur aan [eiseres] betekend, derhalve voordat de in (iii) en (iv) vermelde notariële akten zijn verleden.

(vi) Op 16 oktober 1984 heeft een medewerker van de Ontvanger een telefoongesprek gehad met notaris Damstra. Op de vraag van die medewerker waarom de hypotheekakten op 12 oktober om 16.00 uur op stel en sprong dienden te worden verleden, heeft de notaris geantwoord dat [betrokkene A] met de hypotheekverlening aan [eiseres] de rechten van zijn vrouw wilde veiligstellen voordat de fiscus er tussendoor zou komen en dat hij - [betrokkene A] - zich wilde wapenen tegen de fiscus, omdat zijn onderhandelingspositie ondergraven zou worden als de fiscus alle troeven in handen had.

(vii) [Betrokkene A] is op 8 mei 1991 op verzoek van de Belastingdienst in staat van faillissement verklaard.

3.2 De curator heeft - voorzover in cassatie nog van belang - gevorderd de in de dagvaarding omschreven hypothecaire inschrijvingen waardeloos te verklaren. Hij heeft aan die vordering - eveneens voorzover in cassatie nog van belang - ten grondslag gelegd dat hij op grond van art. 42 F. een beroep doet op de nietigheid van art. 11 van de vaststellingsovereenkomst en de daaruit voortvloeiende nietigheid van de hypotheekverlening, nu er sprake is van een onverplichte rechtshandeling die om niet is verricht, terwijl zowel [betrokkene A] als [eiseres] wist dat door die overeenkomst de crediteuren van [betrokkene A] zouden worden benadeeld. [Eiseres] heeft bestreden dat zij wetenschap van benadeling bezat van de schuldeisers van [betrokkene A].

3.3 In het tussenvonnis van 19 oktober 1994 heeft de Rechtbank geoordeeld dat de vaststellingsovereenkomst, voorzover daarin de omvang van het door [betrokkene A] aan [eiseres] verschuldigde wordt vastgesteld, nu - kort gezegd - [betrokkene A] op grond van het tussen partijen geldende huwelijksgoederenregime het aan [eiseres] toekomende gedeelte van een jaarlijks blijkend positief saldo met haar diende te verrekenen, niet tot benadeling van de crediteuren leidt, en dat hetzelfde geldt voor de omzetting van het direct opeisbare bedrag in een geldlening. De Rechtbank heeft vervolgens overwogen (rov. 2.2, tweede alinea):

"Wel is sprake van benadeling van schuldeisers door de onverplichte opname van artikel 11 in de vaststellingsovereenkomst en door de op grond daarvan verleende en ingeschreven hypothecaire zekerheidsstellingen. Anders dan de curator stelt echter zijn die verplichtingen niet om niet aangegaan nu voldoende vaststaat dat [eiseres] bij wijze van tegenprestatie betalingsuitstel heeft verleend. Onder die omstandigheden kunnen de gewraakte rechtshandelingen slechts worden vernietigd indien [eiseres] wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van schuldeisers het gevolg zou zijn. Onder verwijzing naar het sub. 2.1 vermelde acht de rechtbank dat niet komen vast te staan."

3.4 Op het hoger beroep van de curator heeft het Hof - voorzover in cassatie nog van belang - overwogen dat de Rechtbank bij de beoordeling van het beroep van de curator op artikel 42 F. terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat sprake is van benadeling van schuldeisers door de onverplichte opname van artikel 11 in de vaststellingsovereenkomst en door de op grond daarvan verleende en ingeschreven hypothecaire zekerheidstellingen, en dat de door de curator gewraakte rechtshandelingen slechts kunnen worden vernietigd als [eiseres] wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van schuldeisers het gevolg zou zijn (rov. 7).

Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat [eiseres] onder de gegeven omstandigheden wel heeft geweten of behoren te weten dat de schuldeisers van [betrokkene A] door de vestiging van de hypothecaire zekerheden zouden worden benadeeld (rov. 8). Aan dit oordeel heeft het Hof - samengevat weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd:

(1) Op 21 januari 1992 heeft [betrokkene B], per 1 januari 1984 de financieel directeur van het [A]-concern, tegenover de rechter-commissaris in het faillissement van [betrokkene A] verklaard: dat hij naar aanleiding van een boekenonderzoek medio september 1984 door de rijksaccountantsdienst bij het [A]-concern verwachtte dat navorderingsaanslagen zouden worden opgelegd; dat daarop overleg heeft plaatsgehad met notaris Damstra omdat [eiseres] niet de dupe wilde worden van de wijze van zaken doen van haar man,; dat deze adviseerde op grond van de huwelijkse voorwaarden aan [eiseres] hypothecaire zekerheden te verschaffen; dat aanvankelijk een afspraak met de notaris was gemaakt om de hypotheekakten op vrijdag 12 oktober 1984 om 16.00 uur te passeren; dat, toen bleek dat de belastingdienst beslagen aan het leggen was, de afspraak is vervroegd tot 15.00 uur; dat de hypotheekakten toen verleden zijn, nadat de notaris uit informatie bij de bewaarder was gebleken dat er nog geen beslagen op het onroerend goed waren gelegd.

(2) Op 21 januari 1992 heeft H. van Gelderen, belastingdeurwaarder aan genoemde rechter-commissaris verklaard: dat hij op 12 oktober 1984 omstreeks 14.45 uur in de woning van [betrokkene A] en [eiseres] is begonnen met een inventarisatie ter inbeslagneming van de roerende goederen; dat het echtpaar een dringende afspraak bleek te hebben en weg moest; dat hij zijn werkzaamheden na terugkomst van het echtpaar heeft voortgezet.

(3) Voordat de akten betreffende de vaststellingsovereenkomst en de hypotheekverlening bij de notaris waren gepasseerd, heeft de belastingdeurwaarder op 12 oktober 1984 om 14.45 uur drie dwangbevelen voor in totaal ƒ 3.811.528,-- aan belastingschulden aan [eiseres] betekend.

(4) [Eiseres] was in de betrokken periode grootaandeelhoudster van Duo Beheer B.V., en houdster van alle aandelen in de twee werkmaatschappijen Duo Uitzendbureau I en II (B.V.). In rov. 9 overweegt het Hof dat de - op belangrijke punten afwijkende - verklaring die [betrokkene B] (ingevolge een in het eerste tussenvonnis gegeven bewijsopdracht) twee jaar later in de onderhavige procedure voor de Rechtbank heeft afgelegd, niet geloofwaardig is, en derhalve buiten beschouwing dient te blijven.

3.5.1 De onderdelen 1 en 2 betogen dat het oordeel van het Hof dat aan de curator een beroep op art. 42 F. toekomt rechtens onjuist is, nu het Hof dit oordeel niet mede heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de schuldeisers op de faillissementsdatum, althans op de datum waarop de curator de vordering ex art. 42 heeft ingesteld, althans op de dag waarop in rechte over de bedoelde vordering wordt beslist, werkelijk benadeeld zijn. Onderdeel 2 acht 's Hofs oordeel tevens onvoldoende gemotiveerd. Omdat het niet om de benadeling van de schuldeisers op 12 oktober 1984 gaat, had het Hof tenminste - aldus onderdeel 2 - een onderzoek moeten doen naar het vermogen van [betrokkene A] op 12 oktober 1984 en de toename c.q. afname van dat vermogen per de wèl in aanmerking komende datum. De onderdelen lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.5.2 Vooropgesteld moet worden dat de benadeling van de schuldeisers als bedoeld in art. 42 F. aanwezig moet zijn op het tijdstip waarop de curator zijn rechten doet gelden. Indien, zoals in het onderhavige geval, in rechte wordt gestreden over de vraag of de curator terecht een beroep doet op art. 42 F., is het met betrekking tot de door dat artikel vereiste benadeling nodig, doch ook voldoende dat zij aanwezig is ten tijde dat omtrent het beroep op die bepaling wordt beslist (vgl. HR 22 september 1995, nr. 15754, NJ 1996, 706). Nu tussen partijen op dit punt geen debat is gevoerd, bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat het Hof, met betrekking tot de door de curator gestelde benadeling door de onderhavige hypotheekvestiging, van een ander moment is uitgegaan dan dat van de beoordeling van de vordering in hoger beroep. De onderdelen missen in zoverre feitelijke grondslag.

Voorzover de onderdelen betogen dat niet is komen vast te staan dat benadeling heeft plaatsgehad, falen zij eveneens. De vraag of benadeling aanwezig is op het moment waarop de rechter over de vordering beslist, moet worden beantwoord door de hypothetische situatie waarin de schuldeisers zouden hebben verkeerd zonder de gewraakte rechtshandeling te vergelijken met de situatie waarin zij feitelijk verkeren als die handeling onaangetast blijft. Anders dan onderdeel 2 betoogt, behoeft de rechter dan ook niet ambtshalve een onderzoek in te stellen naar de vermogensverschuivingen in de periode tussen het tijdstip van de (later vernietigde) rechtshandeling en het tijdstip waarop de benadeling aanwezig moet zijn. Het Hof heeft de benadeling van de schuldeisers van [betrokkene A] klaarblijkelijk gelegen gezien in de voor de gezamenlijke schuldeisers van de boedel nadelige - op het tijdstip van zijn uitspraak nog bestaande - hypotheekstellingen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk.

3.6 Onderdeel 3 acht het oordeel van het Hof dat benadeling aanwezig is ook daarom onbegrijpelijk, omdat het Hof niet heeft onderzocht wat de voor de andere schuldeisers gunstige gevolgen zijn geweest van de gewraakte transactie tussen [eiseres] en [betrokkene A]. Het onderdeel wijst erop dat [eiseres] op 12 oktober 1984 genoegen heeft genomen met een novatie van haar vordering in een lening met zekerheidsstelling, in plaats van betaling te verlangen.

Het onderdeel faalt, reeds omdat het op de weg van [eiseres] zou hebben gelegen aan te geven hoe het verlenen van betalingsuitstel aan [betrokkene A] de benadeling van schuldeisers in het faillissement door de hypotheekverlening opheft.

3.7 Onderdeel 4 komt op tegen het oordeel van het Hof dat wetenschap van benadeling bij [eiseres] aanwezig was, omdat uit de door het Hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet volgt dat zij ten tijde van de gewraakte rechtshandeling had moeten weten dat die rechtshandeling ruim zes jaar later benadeling van de schuldeisers van [betrokkene A] tot gevolg zou hebben.

Het onderdeel faalt. Uit de omstandigheden die het Hof heeft vastgesteld heeft het afgeleid dat [eiseres] ten tijde van de gewraakte handelingen wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van de schuldeisers, zoals door de curator gesteld, het gevolg zou zijn. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst.

3.8 Onderdeel 5, dat klaagt over de onbegrijpelijkheid van het oordeel van het Hof in rov. 9 dat het geen geloof hecht aan de tweede verklaring van de getuige [betrokkene B], faalt. De rechter die over de feiten oordeelt is vrij in de waardering van getuigenverklaringen. Het oordeel van het Hof is niet onbegrijpelijk.

3.9 Ook onderdeel 6 faalt. Het onderdeel betoogt dat het Hof heeft miskend dat [eiseres] voor de Rechtbank heeft aangevoerd dat zij, voordat de onderhavige hypotheekverlening plaatsvond, met [betrokkene A] een mondelinge overeenkomst had gesloten. Het onderdeel beroept zich op de conclusie van dupliek, blz. 11, waar is opgemerkt: "[betrokkene A] heeft zich ter zake mondeling jegens [eiseres] verbonden. Van een overeenkomst was derhalve sprake." Deze opmerking die in het geheel niet nader is toegelicht en is geplaatst in het kader van het betoog in de conclusie van dupliek dat de verplichting tot hypotheekverlening voortvloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, heeft het Hof kennelijk niet als een (zelfstandig) verweer opgevat. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, J.B. Fleers en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 19 oktober 2001.