Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZC3648

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2001
Datum publicatie
13-07-2001
Zaaknummer
R00/153HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZC3648
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 63
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 434
NJ 2001, 525
RvdW 2001, 133
JWB 2001/200
JOR 2001/221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2001

Vakantiekamer

Rek.nr. R00/153HR

AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

Hitje Antje DE BOER, wonende te Dalerpeel, gemeente Coevorden,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. R.F. Thunnissen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Bij twee afzonderlijke vonnissen van 19 oktober 1999 heeft de Rechtbank te Assen de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten R. Meintjes en H.A. de Boer - verzoekster tot cassatie -, in beide gevallen met benoeming van mr. M. Sarneel tot bewindvoerder en mr. J.H. Kuiper tot rechter-commissaris.

Op 8 september 2000 heeft de bewindvoerder de Rechtbank te Assen op grond van art. 350 lid 3, aanhef en onder c en e, F. verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van verzoekster tot cassatie en haar echtgenoot - verder afzonderlijk te noemen: De Boer en Meintjes - te beëindigen. De rechter-commissaris heeft op 16 oktober 2000 de Rechtbank schriftelijk bericht het verzoek te onderschrijven.

Beide echtgenoten hebben daartegen verweer gevoerd. Daarnaast heeft De Boer de Rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor haar te beëindigen op grond van artikel 350 lid 3, aanhef en onder a, F.

De Rechtbank heeft, na behandeling van de verzoeken ter terechtzitting van 17 oktober 2000, bij vonnis van 31 oktober 2000 het verzoek van De Boer afgewezen, het verzoek van de bewindvoerder toegewezen en de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor De Boer en Meintjes op grond van artikel 350 lid 3, aanhef en onder c en e, F. beëindigd en in het faillissement van De Boer en Meintjes tot rechter-commissaris benoemd mr. J.H. Kuiper en tot curator mr. M. Sarneel.

Tegen dit vonnis hebben De Boer en Meintjes hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.

Na mondelinge behandeling op 16 november 2000 heeft het Hof bij arrest van 22 november 2000 het vonnis van de Rechtbank te Assen bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft De Boer beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat van De Boer heeft vervolgens dat rekest nog schriftelijk toegelicht.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Nadat op 19 oktober 1999 ten verzoeke van De Boer en haar echtgenoot Meintjes, met wie zij in gemeenschap van goederen was gehuwd, bij twee afzonderlijke vonnissen de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling was uitgesproken, heeft de daarbij benoemde bewindvoerder op 8 september 2000 ten aanzien van beide echtelieden verzocht om op grond van het in art. 350 lid 3, aanhef en onder c en e, F. bepaalde (het niet naar behoren nakomen van een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen respectievelijk het trachten zijn schuldeisers te benadelen) de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen. Tegen dit verzoek, dat bij inwilliging van rechtswege tot een faillissement zou leiden (lid 5), hebben de beide echtelieden verweer gevoerd. Daarnaast heeft De Boer nog verzocht om wat haarzelf betreft tot beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling te komen op grond van lid 3, aanhef en onder a (het voldaan zijn van de vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt), aan welke beëindiging geen faillissement van rechtswege is verbonden (vgl. lid 5).

3.2 De Rechtbank heeft laatstgenoemd verzoek afgewezen omdat zij de daartoe aangevoerde feiten niet aannemelijk

achtte. Eerstgenoemd verzoek heeft zij daarentegen toegewezen, zowel ten aanzien van Meintjes als ten aanzien van De Boer, een en ander met benoeming van een rechter-commissaris en van een curator in het daaraan verbonden faillissement van hen beiden.

3.3 Het Hof heeft in hoger beroep het bestreden vonnis bekrachtigd, wat Meintjes betreft omdat het, evenals de Rechtbank, van oordeel was dat aan de in art. 350 lid 3, aanhef en onder c en e bedoelde grondslag was voldaan, en wat De Boer betreft omdat, nu Meintjes aldus van rechtswege in staat van faillissement kwam te verkeren en De Boer met hem in gemeenschap van goederen was gehuwd, het hier van toepassing zijnde art. 63 F. meebracht dat De Boer "geen belang" meer had "bij de behandeling van haar verzoek tot beëindiging (...) op grond van art. 350 lid 3 onder a Fw en evenmin bij de behandeling van haar verweer tegen het verzoek van de bewindvoerder (...) op grond van art. 350 lid 3 onder c en e Fw".

3.4 Het tegen dit oordeel door De Boer gerichte middel is gegrond. Vooropgesteld behoort te worden dat art. 63, voorzover thans van belang, slechts bepaalt dat het faillissement van een persoon die in enige gemeenschap van goederen is gehuwd, als faillissement van die gemeenschap wordt behandeld, en dus niet zo ver gaat dat het bepaalt dat een dergelijk faillissement van rechtswege ook het faillissement van de andere echtgenoot meebrengt. Hiervan uitgaande en voorts nog in aanmerking nemende dat voor een zo vergaande conclusie elders in de wet evenmin aanknopingspunten zijn te vinden, is het bestreden oordeel ofwel gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting ofwel onvoldoende gemotiveerd, dit laatste omdat zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, waarom De Boer bij een behandeling van haar voormelde verzoek en verweer, hoewel daarmee haar eigen faillissement kon worden voorkomen, geen belang had.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van Het Gerechtshof te Leeuwarden van 22 november 2000;

verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Arnhem.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 13 juli 2001.