Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:ZC3635

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2001
Datum publicatie
19-10-2001
Zaaknummer
C00/114HR
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:ZC3635
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:22, geldigheid: 2001-10-19
Algemene wet bestuursrecht 8:73, geldigheid: 2001-10-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2001-2068
JOL 2001, 551
NJ 2002, 257
V-N 2001/56.29
JWB 2001/257

Uitspraak

19 oktober 2001

Eerste Kamer

Nr. C00/114HR

AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de vennootschap naar Pools recht KORA, gevestigd te Przemysl, Polen,

EISERES tot cassatie, voorwaardelijk incidenteel verweerster,

advocaat: mr. M.H. van der Woude,

t e g e n

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ ONDERNEMINGEN EINDHOVEN, kantoorhoudende te Eindhoven,

VERWEERDER in cassatie, voorwaardelijk incidenteel eiser,

advocaat: mr. H.D.O. Blauw.

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie - verder te noemen: Kora - heeft bij exploit van 17 mei 1999 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Ontvanger - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd de Ontvanger te veroordelen om binnen twee dagen na de betekening van het in dezen te wijzen vonnis in kort geding de reeds uitgewonnen bedragen ad, in ieder geval, ƒ 656.000,-- aan Kora terug te betalen, te vermeerderen met de hierover per 4 september 1996 belopen wettelijke rente.

De Ontvanger heeft de vordering bestreden.

De President heeft bij vonnis van 13 juli 1999 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft Kora hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

Nadat het Hof bij tussenarrest van 29 september 1999 de zaak naar de rol had verwezen voor het nemen van akte aan de zijde van de Ontvanger, heeft het Hof bij eindarrest van 2 februari 2000 het bestreden vonnis bekrachtigd onder aanvulling en verbetering van gronden.

De arresten van het Hof zijn aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het Hof van 29 september 1999 en 2 februari 2000 heeft Kora beroep in cassatie ingesteld. De Ontvanger heeft voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het incidenteel beroep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het principaal beroep.

De advocaat van Kora heeft bij brief van 4 mei 2001 op deze conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De Inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen Eindhoven (hierna: de Inspecteur) heeft op 2 september 1996 aan Kora over het tijdvak 8 juli 1996 tot en met 31 juli 1996 een naheffingsaanslag loonbelasting/premieheffing opgelegd van ƒ 552.976,-- inclusief 100% boete. De aanslag is op grond van art. 10 lid 1 letter b en c in verbinding met art. 15 Iw 1990 terstond en tot het volle bedrag invorderbaar verklaard.

(ii) Ter zake van deze aanslag is op 4 september 1996 een dwangbevel tegen Kora uitgevaardigd. Dit dwangbevel is ondertekend door "De ontvanger, [betrokkene A]".

(iii) De Inspecteur heeft op 2 december 1996 aan Kora over het derde kwartaal 1996 een naheffingsaanslag loonbelasting/premieheffing opgelegd van ƒ 446.000,--.

(iv) Ter zake van deze aanslag is op 17 januari 1997 een dwangbevel tegen Kora uitgevaardigd. Dit dwangbevel is eveneens ondertekend door "De ontvanger, [betrokkene A]".

(v) Op grond van voormelde dwangbevelen heeft de Ontvanger ten laste van Kora enkele executoriale derdenbeslagen gelegd. De Ontvanger heeft de beslagen tot een bedrag van ƒ 656.000,-- uitgewonnen.

(vi) Kora heeft de Ontvanger bij brief van 4 mei 1999 verzocht het uitgewonnen bedrag aan haar terug te betalen vermeerderd met wettelijke rente. De Ontvanger heeft niet aan dit verzoek voldaan.

3.2 Kora heeft in het onderhavige kort geding gevorderd de Ontvanger te veroordelen het reeds uitgewonnen bedrag terug te betalen met wettelijke rente. Aan deze vordering heeft zij, kort samengevat en voor zover in cassatie van belang, het volgende ten grondslag gelegd. De beide dwangbevelen zijn uitgevaardigd door een ambtenaar die daartoe niet bevoegd was, terwijl de dwangbevelen zijn betekend door een daartoe onbevoegde deurwaarder. Daarmee is bij gebreke van een executoriale titel het door de Ontvanger gelegde derdenbeslag nietig en de daarop gevolgde uitwinning onrechtmatig. De President heeft het gevorderde afgewezen. Het Hof heeft het vonnis van de President bekrachtigd.

3.3 Onderdeel 1 bestrijdt met een rechtsklacht het oordeel van het Hof dat [betrokkene A] materieel bevoegd was de onderhavige dwangbevelen en de daarop gevolgde beslagopdrachten uit te voeren (rov. 8.2). Dit oordeel moet aldus worden begrepen dat het mandaat, afgezien van het formele gebrek dat het niet schriftelijk was verleend, geldig was, en dat de onbevoegdheid van [betrokkene A] derhalve uitsluitend op dit formele gebrek kon berusten, zodat uitsluitend onderzocht behoeft te worden welk gevolg aan het formele gebrek moet worden gehecht. Dit een en ander geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het onderdeel faalt.

3.4 In rov. 8.2.3 heeft het Hof geoordeeld dat de dwangbevelen wegens het daaraan klevende formele gebrek weliswaar niet als geldig kunnen worden beschouwd, maar dat met overeenkomstige toepassing van art. 8:72 lid 3 Awb de rechtsgevolgen van die besluiten in stand kunnen blijven. Voor zover onderdeel 2 dit oordeel als onjuist bestrijdt, is het gegrond. Het onderdeel kan evenwel niet tot cassatie leiden, omdat in hetgeen het Hof heeft overwogen besloten ligt dat Kora niet is benadeeld door het aan het dwangbevel klevende formele gebrek. Derhalve moet worden aangenomen dat, in overeenstemming met het beginsel dat ten grondslag ligt aan art. 6:22 Awb, dit gebrek niet tot nietigheid van het dwangbevel leidt. Voor zover het onderdeel ervan uitgaat dat het Hof dit oordeel uitsluitend hierop heeft gebaseerd dat de Ontvanger de dwangbevelen voor zijn rekening wenst te nemen, mist het feitelijke grondslag. Het Hof heeft immers aan zijn oordeel alle in zijn rov. 8.2.2 vermelde omstandigheden in onderling verband en samenhang ten grondslag gelegd, waarbij het als een van die omstandigheden heeft meegewogen dat de Ontvanger de dwangbevelen voor zijn rekening neemt. Aldus overwegende heeft het Hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Met name vloeit, anders dan het middel wil, uit het karakter van een dwangbevel als executoriale titel niet voort dat de omstandigheid dat een mandaat niet schriftelijk is verleend, voor de toepassing van art. 90 Rv. een niet te helen nietigheid oplevert.

3.5 Onderdeel 3 klaagt in de eerste plaats dat het Hof heeft voorbijgezien aan de stelling van Kora dat volgens de tekst van de dwangbevelen [betrokkene A] deze dwangbevelen niet namens de bevoegde ontvanger, derhalve niet in mandaat, doch in eigen naam heeft uitgevaardigd. Het Hof is evenwel niet aan deze stelling voorbijgegaan, maar het heeft haar verworpen. Anders dan het onderdeel voorts nog aanvoert, is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt derhalve.

3.6 Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen is het Hof bij de beantwoording van de vraag of de dwangbevelen al dan niet als geldig kunnen worden aangemerkt, ervan uitgegaan dat sprake was van een aan [betrokkene A] verleend mandaat, waaraan het formele gebrek kleefde dat het niet schriftelijk was verleend. De klachten van onderdeel 4, die alle berusten op de veronderstelling dat het Hof heeft aangenomen dat [betrokkene A] de dwangbevelen op eigen naam heeft uitgevaardigd, kunnen derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

3.7 Onderdeel 5 verwijt het Hof ten onrechte, althans zonder motivering te zijn voorbijgegaan aan het betoog van Kora in de toelichting op haar appelgrief 6 en de pleitnota in appel, dat de Ontvanger het dwangbevel van 4 september 1996 (zie hiervoor in 3.1 onder (i) en (ii)) niet ten uitvoer had mogen leggen, omdat aan Agriculture International Sp.zo.o over dezelfde periode en over hetzelfde belastbare feit eveneens een aanslag loonbelasting/premieheffing is opgelegd. Met betrekking tot deze appelgrief van Kora heeft het Hof overwogen "dat beoordeling van de vraag of ten aanzien van Kora en/of Agri een belastingplicht geldt, is voorbehouden aan de fiscale rechter en dat marginale toetsing vooralsnog tot de conclusie leidt dat in redelijkheid niet aan de belastingplicht van Kora kan worden getwijfeld" (rov. 8.6.1). Aldus heeft het Hof een juiste maatstaf gehanteerd. Zijn oordeel behoefde, mede in aanmerking genomen dat het een kort geding betreft, geen nadere motivering.

Het onderdeel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.8 Nu het middel in het principale beroep in zijn geheel faalt, behoeft het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat de Hoge Raad het principale beroep gegrond zou oordelen, geen behandeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het principale beroep;

veroordeelt Kora in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger begroot op ƒ 9.507,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 19 oktober 2001.