Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD7581

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2001
Datum publicatie
21-12-2001
Zaaknummer
36531
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2002/85
FED 2002/130
FED 2002/40
WFR 2002/95, 2
V-N 2002/2.5 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.531

21 december 2001

RP

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 juli 2000, nr. 99/02566, betreffende na te melden ten name van X vastgestelde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Ten name van X (hierna: erflater) is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen vastgesteld, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.000.000.

De erven van erflater zijn tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar binnenlands inkomen van ƒ 1150.

2. Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De erven hebben een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben de zaak doen toelichten, de Staatssecretaris door mr. R.L.H. IJzerman, advocaat te 's-Gravenhage, de erven door mr. M.J. Pelinck, advocaat te Amsterdam.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

Erflater, overleden op 26 maart 1999, was gehuwd met X-Y (hierna: de respectievelijk zijn echtgenote). Tot 1 november 1991 waren zowel erflater als zijn echtgenote woonachtig in een in Nederland gelegen bungalow. Op 15 november 1991 heeft erflater een testament laten opstellen, waarin is vermeld dat erflater woonde op Curaçao, en dat hij duurzaam gescheiden van zijn echtgenote leefde. Op 30 december 1991 heeft erflater zich laten inschrijven als inwoner van Curaçao, waar hij sinds augustus van dat jaar over een appartement beschikte. De echtgenote is blijven wonen in de bungalow. Na 15 november 1991 - en ook in het onderhavige jaar - heeft erflater nog regelmatig enige tijd in Nederland verbleven. De echtgenote is mede-erfgename van erflater.

3.2.1. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of erflater na 1 november 1991 - en ook in het onderhavige jaar - zijn woonplaats in Nederland had, zoals door de Inspecteur werd gesteld en door erflater en later de erven werd bestreden.

3.2.2. Namens erflater en later de erven is gesteld dat erflater en zijn echtgenote na de emigratie van erflater duurzaam gescheiden leefden, dat de bungalow aan erflater sindsdien niet meer ter beschikking stond maar dat erflater, als hij in Nederland was, kon logeren in de naast de bungalow gelegen opstallen, bestaande uit twee - verbouwde - voormalige hooibergen. Die voormalige hooibergen zouden geschikt zijn voor tijdelijk verblijf maar ongeschikt voor langdurige, daadwerkelijke bewoning. Ter ondersteuning van die stelling is een schriftelijke verklaring overgelegd van een makelaar over de bewoonbaarheid van die opstallen.

3.2.3. De Inspecteur heeft daartegenover gesteld dat erflater ook na 1 november 1991 in Nederland niet alleen beschikte over woonruimte in de voormalige hooibergen, maar dat ook de bungalow waarin de echtgenote verbleef maar die eigendom was van erflater, nog aan erflater ter beschikking stond. Die laatste stelling werd daarbij door de Inspecteur niet nader gemotiveerd.

3.2.4. Tijdens de mondelinge behandeling van het beroep heeft de Inspecteur het Hof verzocht de echtgenote te horen teneinde nader te bewijzen dat de bungalow erflater ook na 1 november 1991 nog als woning ter beschikking stond. Het Hof heeft dat verzoek afgewezen, daarbij overwegende onvoldoende aanleiding te zien de echtgenote te verplichten als mede-belanghebbende te verschijnen. Deze beslissing wordt in het eerste middel bestreden.

3.3.1. Voorzover in het eerste middel wordt betoogd dat het Hof niet zonder nadere motivering had mogen beslissen dat er onvoldoende aanleiding was de echtgenote als mede-belanghebbende te laten verschijnen, faalt het, omdat het Hof de - aan het gerechtshof voorbehouden - beslissing of zal worden gevorderd dat een belanghebbende in persoon bij de mondelinge behandeling van het namens hem ingediende beroep aanwezig zal zijn, niet nader behoefde te motiveren dan het heeft gedaan.

3.3.2. In de toelichting op het eerste middel wordt nog betoogd dat uit de stukken blijkt dat de echtgenote niet werd vertegenwoordigd door de ter zitting van het Hof verschenen gemachtigde N. Voorzover daarmee wordt bestreden dat het Hof N als gemachtigde van de echtgenote mocht beschouwen, faalt ook die klacht. Tot de gedingstukken behoort een verklaring van A - een van de zonen van erflater en een van zijn erfgenamen - waarbij deze, mede namens de overige erfgenamen, N machtigt om namens de erfgenamen op te treden. Gelet op deze verklaring en op het bepaalde in artikel 2, lid 4, tweede volzin, van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken kon het Hof - gelijk het kennelijk heeft gedaan - ervan uitgaan dat N ook optrad voor de echtgenote.

3.4.1. Het tweede middel betreft de oordelen van het Hof dat de voormalige hooibergen gelet op de verklaring van de makelaar door hun bouwkundige staat en inrichting niet geschikt waren om te dienen voor duurzame bewoning, dat deze derhalve niet kunnen worden aangemerkt als woonruimte die aan erflater ter beschikking stond en dat aan laatstvermeld oordeel niet afdoet dat erflater vrij regelmatig in die hooibergen vertoefde.

3.4.2. Voorzover dit middel is gericht tegen het oordeel dat de voormalige hooibergen niet geschikt waren voor duurzame bewoning faalt het, aangezien dit feitelijke oordeel, anders dan in het middel wordt betoogd, niet onbegrijpelijk is zodat het in cassatie niet met vrucht kan worden bestreden.

3.4.3. In het middel wordt voorts betoogd dat het Hof een onjuist oordeel heeft gegeven over het begrip duurzame woonruimte omdat het Hof heeft miskend dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een duurzame woonruimte, het ter beschikking staan van een ruimte waarin daadwerkelijk verblijf wordt gehouden van groter belang is dan de bouwkundige staat en inrichting van die ruimte.

3.4.4. In de overwegingen van het Hof ligt besloten het oordeel dat erflater in de voormalige hooibergen slechts tijdelijk verblijf heeft gehouden maar daar niet heeft gewoond, zodat de hooibergen hem niet tot duurzame woonruimte hebben gediend. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Ook dit onderdeel van dit middel faalt derhalve.

3.5. Ook het derde middel, dat is gericht tegen het oordeel van het Hof dat erflater het duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen eind 1991 heeft verplaatst naar Curaçao, kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu dit middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nrs. 36529 en 36530 en 36532 tot en met 36537 met de onderhavige zaak samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op één negende van ƒ 4260, derhalve ƒ 473,33 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2001.

Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het door hem ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van ƒ 630.