Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD7287

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2001
Datum publicatie
20-12-2001
Zaaknummer
1332
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AD7287
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 1332

14 december 2001

RP

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] (België),

3. Zuidnederlandse Investeringsmaatschappij B.V. i.o.,

gevestigd te Eindhoven,

eisers tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,

tegen

de Staat der Nederlanden,

waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage,

verweerder in cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen.

1. Geding in feitelijke instantie

1.1. De Staat heeft bij exploit van 22 september 2000 [eiser 1] doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Breda en ten behoeve van de aanleg van een in de dagvaarding nader omschreven gedeelte van de Hogesnelheidslijn-Zuid en van de verbreding en verlegging van de weg Rotterdam-Dordrecht-Breda-Belgische grens (rijksweg 16), in de gemeenten Moerdijk en Drimmelen, gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten name van de Staat van de volgende perceelgedeelten: kadastraal bekend gemeente [...], sectie [..], nummer [...], ter grootte van 2 ha, 44 a en 65 ca (grondplannummer [A]), kadastraal bekend gemeente [...], sectie [...], nummer [...], ter grootte van 2 ha en 22 a (grondplannummer [B]) en kadastraal bekend gemeente [...], sectie [...], nummer [...], ter grootte van 5 ha, 89 a en 30 ca (grondplannummer [C]).

1.2. Bij vonnis van 28 november 2000 heeft de Rechtbank in het incident [eiser 2] en Zuidnederlandse Investeringsmaatschappij B.V. i.o. toegelaten als tussenkomende partijen in het in de hoofdzaak aanhangige geding tot onteigening.

1.3. Bij vonnis van 27 februari 2001 heeft de Rechtbank in de hoofdzaak de gevorderde onteigening uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] bepaald op ƒ 301.650 en voor [eiser 2] op ƒ 811.300, en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

2.1. Eisers tot cassatie hebben het vonnis van 27 februari 2001 met een middel van cassatie bestreden. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.2. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.3. Eisers en de Staat hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. Eisers hebben gerepliceerd. Gelet op aard en omvang van de desbetreffende schriftuur behoort daarop - naar van de zijde van de Staat is aangevoerd - geen acht te worden geslagen. Deze schriftuur van dertien bladzijden kan niet worden beschouwd als een beknopte reactie op de schriftelijke toelichting van de wederpartij.

2.4. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 28 september 2001 geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Eisers hebben schriftelijk op de conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt eisers in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op ƒ 632,20 aan verschotten en op ƒ 3000 voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en J.W. van den Berge, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 december 2001.