Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2001:AD7140

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2001
Datum publicatie
14-12-2001
Zaaknummer
36464
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2002, 21449
BNB 2002/58 met annotatie van R.E.C.M. Niessen
FED 2002/16
FED 2003/52
WFR 2002/48, 1
V-N 2001/66.11 met annotatie van Redactie
FutD 2001-2378
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Nr. 36.464

14 december 2001

JV

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 juni 2000, nr. 99/00551, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 178.582, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3. Beoordeling van het middel

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

In 1993 kocht belanghebbende een woonhuis. Belanghebbende is woonachtig in de woning en oefent zijn beroep van binnenhuisarchitect uit vanuit de woning. In 1994 is hij gestart met een verbouwing van de woning. Hierbij is onder meer aan de achterzijde van de woning een stuk bijgebouwd en is de zolderverdieping vergroot. De ruimte op de begane grond is uitgebreid en op de eerste verdieping is werkruimte gecreëerd. De verbouwing is voltooid in 1995.

Het woonhuis behoort tot belanghebbendes privé-vermogen.

3.2. Voor het Hof was tussen partijen, voorzover in cassatie van belang, in geschil of en zo ja, in hoeverre, sprake is van uitgaven van onderhoud van het niet als eigen woning in gebruik zijnde gedeelte van de woning.

3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in het kader van de verbouwing uitgaven zijn gedaan die betrekking hebben op onderhoud van het zakelijke gedeelte van de woning. Daarbij heeft het Hof belanghebbendes afbakening van het zakelijke gedeelte verworpen en zich aangesloten bij de wijze waarop de Inspecteur het zakelijke gedeelte heeft afgebakend. Het Hof heeft voorts geoordeeld wel te willen aannemen dat in de totale verbouwingskosten ook onderhoudskosten zijn opgenomen, maar dat door belanghebbende niet aannemelijk is gemaakt dat enig deel van die onderhoudskosten is toe te rekenen aan het zakelijke gedeelte. Deze oordelen worden in het middel bestreden.

3.4. Naar de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 24 maart 1976, nr. 17810, BNB 1976/111, is onjuist de opvatting dat buiten het huurwaardeforfait van artikel 42a van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) slechts vallen die gedeelten van de woning die uitsluitend ten behoeve van de onderneming ter beschikking staan. Indien gedeelten van de woning mede ten behoeve van de onderneming ter beschikking staan, staan deze in zoverre niet ter beschikking van de belastingplichtige en personen die behoren tot zijn huishouden in de zin van het tweede lid van bovengenoemd artikel, en behoren deze derhalve in zoverre niet tot de eigen woning.

Het gedeelte van de woning dat ten behoeve van de onderneming ter beschikking staat, dient te worden bepaald op het deel dat de vloeroppervlakte van de zakelijk gebruikte ruimten uitmaakt van de totale vloeroppervlakte van de woning. Tot de vloeroppervlakte van de zakelijk gebruikte ruimten wordt gerekend de totale oppervlakte van de ruimten die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten behoeve van de onderneming worden gebruikt. Hiertoe wordt voorts gerekend een gedeelte van de oppervlakte van de overige ruimten voorzover die niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ter beschikking staan van de belastingplichtige en personen die behoren tot zijn huishouden in de zin van art. 42, lid 2, van de Wet, en wel naar rato van het gebruik van deze ruimten - naar tijd en/of naar oppervlakte - ten behoeve van de onderneming.

3.5. Vervolgens worden ten behoeve van de woning gemaakte onderhoudskosten als volgt behandeld. Ingeval de kosten specifiek betrekking hebben op een bepaalde ruimte, worden deze daaraan toegerekend. Indien dit een ruimte betreft die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ter beschikking staat van de belastingplichtige en personen die behoren tot zijn huishouden in de zin van art. 42, lid 2, van de Wet, vallen de daaraan toegerekende kosten weg in het huurwaardeforfait en zijn zij derhalve niet aftrekbaar. Kosten komen daarentegen wel in aftrek indien het een ruimte betreft die hetzij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten behoeve van de onderneming wordt gebruikt, hetzij mede ten behoeve van de onderneming wordt gebruikt. In het laatste geval zijn de kosten aftrekbaar naar rato van het hiervóór in 3.4 bedoelde gebruik van die ruimte - naar tijd en/of naar oppervlakte - ten behoeve van de onderneming.

Kosten die niet specifiek betrekking hebben op een bepaalde ruimte, worden naar rato van het - volgens de hiervóór in 3.4 weergegeven regels bepaalde - deel dat de vloeroppervlakte van de zakelijk gebruikte ruimten uitmaakt van de totale vloeroppervlakte van de woning, toegerekend aan het deel van de woning dat ter beschikking staat van de onderneming, en zijn derhalve voor dat gedeelte aftrekbaar.

3.6. Het Hof heeft bij zijn hiervóór in 3.3 weergegeven oordelen niet de hiervóór in 3.4 en 3.5 gegeven maatstaven toegepast. In zoverre slaagt het middel. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor hernieuwd onderzoek van de zaak in volle omvang. Daarbij verdient opmerking dat bij de bepaling van de onderhoudskosten die in het onderhavige geval in aftrek komen, moet worden uitgegaan van de oppervlakten van de verschillende ruimten zoals die door de verbouwing totstandgekomen zijn.

4. Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 36465 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof een vergoeding dient te worden toegekend

5. Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van ƒ 160, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van ƒ 1420, derhalve ƒ 710 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, C.B. Bavinck en J.C. van Oven, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2001.